Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6316Zaaknummer 202601377/1/R4
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202601377/1/R4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 februari 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden zijn beslissing om op 2 februari 2026 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening gemeente Vijfheerenlanden 2023 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een vuilniszak die op 2 februari 2026 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer met nummer 2925, ter hoogte van Amaliastein 209 in Vianen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de vuilniszak verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een poststuk is aangetroffen met zijn naam en adres op het adreslabel. [appellant] betwist dat hij de vuilniszak onjuist heeft aangeboden. Volgens hem is het enkel aantreffen van een poststuk met zijn adresgegevens onvoldoende om hem als dader aan te merken. Hij stelt dat hij regelmatig producten voor zijn buren bestelt en dat zij de pakketverpakking met de vuilniszak hebben weggegooid. Daarnaast wijst hij erop dat uit de stortgegevens van de container blijkt dat de container op 1 en 8 februari 2026 de status "wel toegang, container niet geopend" had. Dit betekent volgens [appellant] dat de container defect was.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hesselink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1187
Volledige tekst
202601377/1/R4.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Vianen, gemeente Vijfheerenlanden,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2026 heeft het college zijn beslissing om op 2 februari 2026 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening gemeente Vijfheerenlanden 2023 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 206,50, voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 21 april 2026 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 september 2026.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een vuilniszak die op 2 februari 2026 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer met nummer 2925, ter hoogte van Amaliastein 209 in Vianen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de vuilniszak verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een poststuk is aangetroffen met zijn naam en adres op het adreslabel.
Procedureel
2. [appellant] betoogt dat de bezwaarfase onzorgvuldig is verlopen. In de eerste plaats stelt hij dat hij aanvankelijk gebeld werd voor de hoorzitting zonder dat dit vooraf werd aangekondigd. Hoewel hij daarna alsnog een afspraak kon inplannen, kon hij zich moeilijk op het gesprek voorbereiden omdat in het dossier volgens hem cruciale informatie ontbrak, zoals het besluit waarmee het college de Reinigingsdienst Waardlanden heeft belast met het toezicht op de naleving van de Afvalstoffenverordening (het aanwijzingsbesluit). Over de hoorzitting voert [appellant] aan dat hij door de hoorambtenaar in de beklaagdenbank werd gezet. Volgens [appellant] werd er niet onafhankelijk naar zijn bezwaren geluisterd en is het verslag een selectieve weergave van wat er is besproken. Gelet op het voorgaande is de beslissing op bezwaar volgens hem onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
2.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] is gehoord voordat het college een beslissing op zijn bezwaar heeft genomen. Ook is van de hoorzitting een verslag gemaakt. Daarmee is voldaan aan de eisen van artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Het verslag hoeft geen letterlijke weergave van het horen te bevatten. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verslag geen zakelijke weergave inhoudt van wat tijdens de hoorzitting is verklaard. Voor zover [appellant] het gevoel kreeg dat er tijdens de hoorzitting niet onbevooroordeeld naar hem geluisterd werd, ziet de Afdeling hiervoor geen concrete aanwijzingen in het verslag van de hoorzitting dat door het college is opgesteld en ook niet in het eigen verslag van [appellant] dat een transcriptie is van zijn opname van het gesprek. Daarbij blijkt uit de verslaglegging dat de ambtelijk hoorder aan [appellant] drie keer heeft gevraagd of hij zijn bezwaar verder wilde toelichten.
Verder heeft [persoon], juridisch ondersteuner bij het college, bij e-mail van 26 februari 2026 aan [appellant] bericht dat hij binnen de bezwaarprocedure toegang krijgt tot het dossier voordat hij gehoord wordt over zijn bezwaar. Bij e-mail van 9 maart 2026 zijn meerdere stukken naar [appellant] verstuurd, waaronder het aanwijzingsbesluit. [appellant] heeft hierop bij e-mail van 10 maart 2026 gereageerd dat het dossier volledig is. De Afdeling stelt dan ook vast dat het college de gevraagde stukken op verzoek van [appellant] aan hem heeft verstrekt. Dat het aanwijzingsbesluit niet op voorhand al in het dossier zat, wat daar ook van zij, doet er niet aan af dat het dossier in bezwaar volledig was.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beslissing op bezwaar niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid of dat [appellant] door het verloop van de bezwaarprocedure is benadeeld.
Het betoog slaagt niet.
Inhoudelijk
3. [appellant] betwist dat hij de vuilniszak onjuist heeft aangeboden. Volgens hem is het enkel aantreffen van een poststuk met zijn adresgegevens onvoldoende om hem als dader aan te merken. Hij stelt dat hij regelmatig producten voor zijn buren bestelt en dat zij de pakketverpakking met de vuilniszak hebben weggegooid. Daarnaast wijst hij erop dat uit de stortgegevens van de container blijkt dat de container op 1 en 8 februari 2026 de status "wel toegang, container niet geopend" had. Dit betekent volgens [appellant] dat de container defect was.
Verder wijst hij er nog op dat in zijn buurt gebruik wordt gemaakt van kliko’s voor plastic, GFT en papier. Volgens [appellant] kunnen derden met kwade intenties makkelijk een poststuk uit de kliko halen en met ander afval verkeerd aanbieden. Met dit scenario heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden. In dit kader voert [appellant] ook nog aan dat hij een professionele achtergrond heeft in duurzame verwarmingsproducten en dat het niet bij zijn karakter past om afval onjuist aan te bieden.
Ten slotte stelt [appellant] dat Waardlanden een commercieel belang lijkt te hebben. Volgens hem verkiest Waardlanden het handhaven van verkeerd aangeboden huisvuil boven het repareren van defecte containers om geld te verdienen. De hoogte van de opgelegde sanctie is volgens [appellant] disproportioneel.
3.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van het bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat er voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan dan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan toepassing van het bewijsvermoeden.
3.2. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit het voorgaande dat het aantreffen van een poststuk met adresgegevens in beginsel voldoende is om hem als overtreder aan te merken. De stelling van [appellant] dat hij regelmatig pakketjes voor zijn buren bestelt en het poststuk mogelijk in hun afval is beland, heeft hij niet met objectieve gegevens onderbouwd. Dat geldt ook voor zijn standpunt dat het voor derden met kwade intenties makkelijk is om afval uit de kliko’s te halen. Ook de stelling dat [appellant] gelet op zijn professionele achtergrond waarde hecht aan het scheiden van afval en zijn huisvuil daarom altijd juist aanbiedt, betekent nog niet dat hij in dit geval niet degene kan zijn geweest die de vuilniszak verkeerd heeft aangeboden.
Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat de container defect was, heeft het college terecht op de vaste rechtspraak gewezen dat ook als een inzamelvoorziening vol zit of defect is, nog steeds de verantwoordelijkheid bestaat om huisvuil op de juiste wijze aan te bieden. Dit kan bijvoorbeeld op een ander moment of bij een andere inzamelvoorziening.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant] onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat hij de vuilniszak verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft hem dan ook terecht als overtreder aangemerkt.
Ten slotte heeft het college zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat de kosten voor de toegepaste bestuursdwang geen boete betreft. Het gaat hier om een kostenverhaal naar aanleiding van de door Waardlanden gemaakte kosten voor het verwijderen van onjuist aangeboden huisvuil. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de in rekening gebrachte kosten niet zijn gemaakt. Wat hij over het repareren van containers heeft aangevoerd is daarbij niet van belang.
Het betoog slaagt niet.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hesselink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1187
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.