Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6314Zaaknummer 202600805/1/R4

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202600805/1/R4
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 1 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos behorend bij een Nespresso koffiezetapparaat, die op 1 september 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container bij Vredeoord 35 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden omdat op de doos een adreslabel is geplakt met daarop zijn naam en adres. [appellant] erkent dat de doos van hem is maar betwist dat hij deze bij de container aan Vredeoord 35 heeft neergezet. Hij stelt dat hij op 9 augustus 2025 een nieuw koffiezetapparaat had gekocht en het oude apparaat in de betreffende doos bij het grofvuil van zijn buurman had gezet bij het pleintje aan de Strausslaan. [appellant] had hier toestemming voor van zijn buurman.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hesselink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1187

Volledige tekst

202600805/1/R4.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2025 heeft het college zijn beslissing om op 1 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 18 februari 2026 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 september 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.F. Bucx, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos behorend bij een Nespresso koffiezetapparaat, die op 1 september 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container bij Vredeoord 35 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden omdat op de doos een adreslabel is geplakt met daarop zijn naam en adres.

2. [appellant] erkent dat de doos van hem is maar betwist dat hij deze bij de container aan Vredeoord 35 heeft neergezet. Hij stelt dat hij op 9 augustus 2025 een nieuw koffiezetapparaat had gekocht en het oude apparaat in de betreffende doos bij het grofvuil van zijn buurman had gezet bij het pleintje aan de Strausslaan. [appellant] had hier toestemming voor van zijn buurman. [appellant] stelt dat het in zijn straat gebruikelijk is dat als iemand een afspraak heeft gemaakt met de gemeente om grofvuil te komen ophalen, dat anderen hun vuilnis erbij zetten. Ter illustratie van zijn standpunt heeft [appellant] meerdere foto’s overgelegd van het pleintje aan de Strausslaan waarop te zien is dat grofvuil langs de straat wordt geplaatst. Op sommige foto’s is te zien dat er spullen en vuilnis bij het grofvuil zijn geplaatst. Het later bijgeplaatste grofvuil wordt volgens [appellant] de volgende dag gewoon door de gemeente opgehaald met het grofvuil waarvoor de afspraak was gemaakt. Hij betwist daarom dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden.

Dat de doos 2,5 km verderop is aangetroffen komt volgens [appellant] omdat iemand de doos heeft meegenomen. Ter illustratie van zijn standpunt heeft [appellant] meerdere foto’s overgelegd van personen die aan de Strausslaan tussen het grofvuil kijken, volgens hem om spullen te zoeken.

Waarschijnlijk wilde iemand zijn oude koffiezetapparaat hebben en heeft diegene het uit de doos gehaald. De doos is later weggegooid op de aangetroffen plek. [appellant] stelt dat hij nog nooit van Vredeoord had gehoord en wijst erop dat hij meerdere mogelijkheden dichterbij huis heeft om zijn vuilnis weg te gooien. Ten slotte stelt [appellant] dat de vrachtwagens van de Haagse Milieu Services (HMS) dagelijks rondrijden op zoek naar vuilnis zodat het volgens hem onwaarschijnlijk is dat er extra kosten zijn gemaakt voor het verwijderen van zijn doos. Verder stelt hij nog dat hij jaarlijks de gemeentebelasting inclusief afvalheffing betaalt. De kosten voor het toepassen van bestuursdwang zijn volgens hem dan ook disproportioneel.

2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).

Op grond van het bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat er voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan dan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan toepassing van het bewijsvermoeden.

2.2. Door het aangetroffen adreslabel op de doos is die tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij door wat hij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of hij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos. De doos is in dit geval aangetroffen op ruim 2,5 km loopafstand van het huis van [appellant]. De omstandigheid dat de doos op enige afstand van zijn huis is aangetroffen, geeft op zichzelf onvoldoende reden om eraan te twijfelen dat hij degene is geweest die de doos daar verkeerd heeft aangeboden. In samenhang met andere omstandigheden kan aan deze afstand echter wel betekenis toekomen.

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de doos bij het grofvuil van zijn buurman heeft gezet, die hiervoor volgens hem een afspraak met de gemeente had gemaakt. Desgevraagd kon [appellant] niet aantonen dat die afspraak daadwerkelijk was gemaakt en wist hij ook niet op welke dag dit was. Om die reden kan niet worden nagegaan of dit op de correcte wijze is gebeurd.

Verder heeft de Afdeling eerder overwogen dat het enkel opperen van de mogelijkheid dat iemand anders de doos heeft meegenomen en elders heeft achtergelaten, onvoldoende twijfel doet ontstaan dat de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het onjuist aanbieden van de doos. Zie de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3242. De foto’s die volgens [appellant] aantonen dat personen aan de Strausslaan tussen het grofvuil naar spullen zoeken, dienen naar het oordeel van de Afdeling niet als onderbouwing van zijn stelling. Nog los van de vraag of de foto’s inderdaad aantonen dat personen tussen het grofvuil naar spullen zoeken, hebben deze foto’s geen betrekking op de hier voorliggende situatie. Ook de omstandigheid dat [appellant] waarde hecht aan de leefbaarheid van de stad en daarom zijn huisvuil altijd juist aanbiedt, betekent niet dat hij in dit geval niet degene geweest kan zijn die de doos verkeerd heeft aangeboden.

Ten slotte is het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht een gedeelte van de kosten die zijn gemaakt voor het verwijderen van de doos. Die kosten behoren op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in beginsel voor rekening van de overtreder te komen en niet voor de gemeenschap. Dat [appellant] regelmatig vrachtwagens van HMS ziet en jaarlijks de gemeentebelasting betaalt, maakt niet dat het college de kosten voor het verwijderen van de doos niet heeft gemaakt. De Afdeling ziet ook verder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bedrag.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hesselink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1187

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.