Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6313Zaaknummer 202601203/1/R4
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202601203/1/R4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 oktober 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 14 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een papieren tas met daarin papierafval, die op 14 oktober 2025 is aangetroffen naast de textielcontainer ter plaatse van de Dr. Lelykade 68 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] het papierafval verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een reclameboek van Bol.com is aangetroffen met haar adres op het adreslabel. [appellante] betwist in de eerste plaats dat zij het reclameboek in de tas naast de textielcontainer heeft gedaan. Zij wijst erop dat niet haar naam maar dat van de voormalige eigenaar van de woning op het adreslabel van het reclameboek staat.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hesselink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1187
Volledige tekst
202601203/1/R4.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2025 heeft het college zijn beslissing om op 14 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 14 april 2026 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 september 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.F. Bucx, is verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een papieren tas met daarin papierafval, die op 14 oktober 2025 is aangetroffen naast de textielcontainer ter plaatse van de Dr. Lelykade 68 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] het papierafval verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een reclameboek van Bol.com is aangetroffen met haar adres op het adreslabel.
2. [appellante] betwist in de eerste plaats dat zij het reclameboek in de tas naast de textielcontainer heeft gedaan. Zij wijst erop dat niet haar naam maar dat van de voormalige eigenaar van de woning op het adreslabel van het reclameboek staat. Volgens [appellante] bestaat er daarom een concreet en plausibel alternatief. Zij stelt dat het reclameboek oud drukwerk is uit de periode voordat zij in de woning woonde en afkomstig is van de voormalige bewoner. Bij het leeghalen van de woning is het reclameboek in omloop geraakt en in een andere papieren tas terechtgekomen.
In de tweede plaats stelt [appellante] dat nergens uit blijkt dat de papieren tas en de rest van het daarin aangetroffen papierafval van haar is. Immers, haar adres stond alleen op het reclameboek. Het is daarom onterecht dat zij de volledige kosten van verwijdering van het papierafval moet betalen terwijl slechts één item aan haar adres gelinkt kan worden.
Ten slotte stelt [appellante] dat het college zijn besluit ten onrechte niet met objectief bewijs zoals camerabeelden heeft onderbouwd. Volgens haar is het bestreden besluit gelet op het voorgaande in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel vastgesteld.
2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van het bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat er voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan dan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Aangezien het aangetroffen poststuk is geadresseerd aan het adres van [appellante], moet in beginsel worden aangenomen dat het poststuk op dat adres is bezorgd, zodat [appellante] het poststuk heeft ontvangen. Dat zij nog niet zolang op haar huidige adres woont en dat de naam op het reclameboek van de vorige bewoner is, maakt dat niet anders. Bij een recente verhuizing zou het kunnen zijn dat de vorige bewoner de post nog heeft ontvangen, maar dat is in dit geval niet waarschijnlijk gelet op het tijdsverloop. [appellante] staat namelijk sinds 16 juni 2025 ingeschreven op haar nieuwe adres en het papierafval is bijna vier maanden later aangetroffen.
Omdat dus mag worden aangenomen dat [appellante] het reclameboek op haar adres heeft ontvangen, is de aangetroffen tas met papierafval tot haar herleidbaar. De enkele stelling dat op de tas of de verdere daarin aangetroffen items niet haar naam of adres staan, is onvoldoende voor het oordeel dat het college niet van het hiervoor weergegeven bewijsvermoeden mocht uitgaan. Anders dan [appellante] betoogt hoeft het college dit niet verder te onderbouwen met bijvoorbeeld camerabeelden.
Gelet op het voorgaande mocht het college er naar het oordeel van de Afdeling vanuit gaan dat [appellante] de tas met papierafval naast de textielcontainer heeft geplaatst. In het door haar aangevoerde heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de kosten voor het toepassen van bestuursdwang te matigen.
Het betoog slaagt niet.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hesselink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1187
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.