Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 12 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6252Zaaknummer 202600477/1/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202600477/1/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep, Mondelinge uitspraak
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

[appellant] heeft op 16 april 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van vrijwilliger bij Stichting Malderburch, welzijn, wonen en zorg in Malden. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de aanvraag bij besluit van 11 juni 2024 afgewezen en is in zijn besluit op het bezwaar van [appellant] bij dat besluit gebleven, omdat hij van oordeel is dat het risico voor de samenleving te groot is om [appellant] een VOG te verlenen. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat binnen de terugkijktermijn van vier jaar er op naam van [appellant] een aantal feiten in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) zijn geregistreerd. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar rechtmatig geacht. [appellant] is het daar niet mee eens. Hij betoogt dat hij geen risico meer is voor de samenleving. Hij heeft namelijk de afgelopen twee jaar hard aan zichzelf gewerkt en is stabiel gebleven.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Motivering:

1. [appellant] heeft op 16 april 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van vrijwilliger bij Stichting Malderburch, welzijn, wonen en zorg in Malden. De staatssecretaris heeft de aanvraag bij besluit van 11 juni 2024 afgewezen en is in zijn besluit op het bezwaar van [appellant] bij dat besluit gebleven, omdat hij van oordeel is dat het risico voor de samenleving te groot is om [appellant] een VOG te verlenen. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat binnen de terugkijktermijn van vier jaar er op naam van [appellant] een aantal feiten in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) zijn geregistreerd. Zo is [appellant] op 10 januari 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor diefstal en drie gevallen van beschadiging van goederen, is aan hem bij strafbeschikking van 12 juli 2023 een boete opgelegd voor diefstal en is op 4 april 2024 een zaak wegens diefstal geseponeerd op grond van ‘recente bestraffing’.

2. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar rechtmatig geacht. [appellant] is het daar niet mee eens. Hij betoogt dat hij geen risico meer is voor de samenleving. Hij heeft namelijk de afgelopen twee jaar hard aan zichzelf gewerkt en is stabiel gebleven.

3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich in het besluit op bezwaar op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij de afgifte van de gevraagde VOG. De door [appellant] gepleegde strafbare feiten waren op het moment van het besluit op bezwaar namelijk te recent en de staatssecretaris heeft ten tijde van het besluit op bezwaar de belangen van [appellant] voldoende meegewogen. De Afdeling kan, net als de rechtbank, de omstandigheid dat [appellant] na het besluit op bezwaar bijna twee jaar stabiel is en het tijdsverloop sinds de gepleegde strafbare feiten niet meenemen in haar beoordeling. De Afdeling toetst in hoger beroep namelijk de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij beoordeelt of de staatssecretaris ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar de belangen van [appellant] voldoende heeft meegewogen. Omstandigheden van na het besluit op bezwaar kunnen dus niet worden betrokken bij de beoordeling.

4. Het hoger beroep is ongegrond.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep

griffier

844-1202

Volledige tekst

202600477/1/A3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 januari 2026 in zaak nr. 24/8312 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Openbare zitting gehouden op 12 oktober 2026 om 12:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer

griffier: mr. M. van Wezep

jurist: mr. C.T. Wildschut

Verschenen:

de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 13 januari 2026 van de rechtbank Gelderland waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Motivering:

1. [appellant] heeft op 16 april 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van vrijwilliger bij Stichting Malderburch, welzijn, wonen en zorg in Malden. De staatssecretaris heeft de aanvraag bij besluit van 11 juni 2024 afgewezen en is in zijn besluit op het bezwaar van [appellant] bij dat besluit gebleven, omdat hij van oordeel is dat het risico voor de samenleving te groot is om [appellant] een VOG te verlenen. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat binnen de terugkijktermijn van vier jaar er op naam van [appellant] een aantal feiten in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) zijn geregistreerd. Zo is [appellant] op 10 januari 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor diefstal en drie gevallen van beschadiging van goederen, is aan hem bij strafbeschikking van 12 juli 2023 een boete opgelegd voor diefstal en is op 4 april 2024 een zaak wegens diefstal geseponeerd op grond van ‘recente bestraffing’.

2. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar rechtmatig geacht. [appellant] is het daar niet mee eens. Hij betoogt dat hij geen risico meer is voor de samenleving. Hij heeft namelijk de afgelopen twee jaar hard aan zichzelf gewerkt en is stabiel gebleven.

3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich in het besluit op bezwaar op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij de afgifte van de gevraagde VOG. De door [appellant] gepleegde strafbare feiten waren op het moment van het besluit op bezwaar namelijk te recent en de staatssecretaris heeft ten tijde van het besluit op bezwaar de belangen van [appellant] voldoende meegewogen. De Afdeling kan, net als de rechtbank, de omstandigheid dat [appellant] na het besluit op bezwaar bijna twee jaar stabiel is en het tijdsverloop sinds de gepleegde strafbare feiten niet meenemen in haar beoordeling. De Afdeling toetst in hoger beroep namelijk de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij beoordeelt of de staatssecretaris ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar de belangen van [appellant] voldoende heeft meegewogen. Omstandigheden van na het besluit op bezwaar kunnen dus niet worden betrokken bij de beoordeling.

4. Het hoger beroep is ongegrond.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep

griffier

844-1202

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.