Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6241Zaaknummer 202600532/1/A3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202600532/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Mondelinge uitspraak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De burgemeester van Krimpenerwaard heeft op grond van 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd, omdat in de woning van [appellant] een middel als bedoeld in lijst II, te weten hennep, werd verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig was. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester op goede gronden een last onder dwangsom aan [appellant] heeft opgelegd. Anders dan [appellant] betoogt, betekent het feit dat hij door het gerechtshof Den Haag is vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet, niet dat de burgemeester de last onder dwangsom niet mocht opleggen.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Motivering:
1. Op 25 november 2023 heeft de politie tijdens een doorzoeking van de woning van [appellant] in de werkplaats op de kelderverdieping de volgende voorwerpen en stoffen aangetroffen:
- een metalen kom met daarin 46 gram hennep;
- een droognet bestemd voor het drogen van henneptoppen, met daarop hennepresten;
- een Cannacutter, bestemd voor het bewerken van henneptoppen;
- twee knipscharen, waarvan aannemelijk is dat deze gebruikt werden voor het knippen van grotere henneptoppen;
- meerdere henneptoppen.
2. De burgemeester heeft op grond van 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd, omdat in de woning van [appellant] een middel als bedoeld in lijst II, te weten hennep, werd verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig was.
3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester op goede gronden een last onder dwangsom aan [appellant] heeft opgelegd. Anders dan [appellant] betoogt, betekent het feit dat hij door het gerechtshof Den Haag is vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet, niet dat de burgemeester de last onder dwangsom niet mocht opleggen. Hiervoor is van belang dat de beoordeling in het bestuursrecht verschilt van de beoordeling in het strafrecht. De rechtbank heeft daarnaast terecht overwogen dat de last onder dwangsom een herstelsanctie is en dus niets zegt over de vraag of [appellant] strafbare feiten heeft begaan. Het beroep van [appellant] op de onschuldpresumptie slaagt dan ook niet. Wat [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd geeft evenmin aanleiding tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De rechtbank heeft een zorgvuldig en uitgebreid oordeel gegeven. De Afdeling volgt dit oordeel.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
844-1202
Volledige tekst
202600532/1/A3.
Datum uitspraak: 12 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2026 in zaak nr. 25/1340 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Krimpenerwaard.
Openbare zitting gehouden op 12 oktober 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. M. van Wezep
jurist: mr. C.T. Wildschut
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. M. van Viegen, advocaat in Utrecht;
de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Benahmida.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 6 januari 2026 van de rechtbank Den Haag, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 januari 2025 ongegrond heeft verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Motivering:
1. Op 25 november 2023 heeft de politie tijdens een doorzoeking van de woning van [appellant] in de werkplaats op de kelderverdieping de volgende voorwerpen en stoffen aangetroffen:
- een metalen kom met daarin 46 gram hennep;
- een droognet bestemd voor het drogen van henneptoppen, met daarop hennepresten;
- een Cannacutter, bestemd voor het bewerken van henneptoppen;
- twee knipscharen, waarvan aannemelijk is dat deze gebruikt werden voor het knippen van grotere henneptoppen;
- meerdere henneptoppen.
2. De burgemeester heeft op grond van 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd, omdat in de woning van [appellant] een middel als bedoeld in lijst II, te weten hennep, werd verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig was.
3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester op goede gronden een last onder dwangsom aan [appellant] heeft opgelegd. Anders dan [appellant] betoogt, betekent het feit dat hij door het gerechtshof Den Haag is vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet, niet dat de burgemeester de last onder dwangsom niet mocht opleggen. Hiervoor is van belang dat de beoordeling in het bestuursrecht verschilt van de beoordeling in het strafrecht. De rechtbank heeft daarnaast terecht overwogen dat de last onder dwangsom een herstelsanctie is en dus niets zegt over de vraag of [appellant] strafbare feiten heeft begaan. Het beroep van [appellant] op de onschuldpresumptie slaagt dan ook niet. Wat [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd geeft evenmin aanleiding tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De rechtbank heeft een zorgvuldig en uitgebreid oordeel gegeven. De Afdeling volgt dit oordeel.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
844-1202
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.