Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6239Zaaknummer 202505061/1/A3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202505061/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Mondelinge uitspraak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
[appellant] heeft het college op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage van zijn persoonsgegevens uit de stukken van de afspraken zoals die in de e-mail van 4 augustus 2023 van een ambtenaar van de gemeente worden genoemd. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen heeft bij besluit van 1 december 2023 de aanvraag deels toegewezen en een kopie van de verwerkte persoonsgegevens die betrekking hebben op [appellant] aan hem verstrekt. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens [appellant] heeft hij niet volledig inzage gekregen in zijn persoonsgegevens, omdat hij geen inzage heeft gekregen in zijn persoonsgegevens uit de stukken over de door het college gemaakte afspraken met Stichting Limor. Het college heeft op 28 maart 2024 twee aanvullende telefoonnotities aan [appellant] verstrekt. Het college heeft vervolgens zijn bezwaar ongegrond verklaard. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college heeft voldaan aan het inzageverzoek van [appellant]. Het is niet ongeloofwaardig dat het college niet beschikt over het document met persoonsgegevens van [appellant] dat er volgens [appellant] zou moeten zijn.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Motivering:
1. [appellant] heeft het college op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage van zijn persoonsgegevens uit de stukken van de afspraken zoals die in de e-mail van 4 augustus 2023 van een ambtenaar van de gemeente worden genoemd. Het college heeft bij besluit van 1 december 2023 de aanvraag deels toegewezen en een kopie van de verwerkte persoonsgegevens die betrekking hebben op [appellant] aan hem verstrekt. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens [appellant] heeft hij niet volledig inzage gekregen in zijn persoonsgegevens, omdat hij geen inzage heeft gekregen in zijn persoonsgegevens uit de stukken over de door het college gemaakte afspraken met Stichting Limor. Het college heeft op 28 maart 2024 twee aanvullende telefoonnotities aan [appellant] verstrekt. Het college heeft vervolgens zijn bezwaar ongegrond verklaard.
2. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft voldaan aan zijn inzageverzoek. [appellant] voert hiertoe aan dat het college heeft aangegeven dat er een concrete match was tussen [appellant] en Stichting Limor. Hij wijst daarbij op de uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland van 14 augustus 2023, zaaknummer 23/3171, waarin staat dat het de rechtbank is gebleken dat het college met Stichting Limor de afspraak heeft gemaakt dat deze zorgaanbieder op het moment dat [appellant] daarmee akkoord gaat direct zorg kan leveren aan [appellant]. Omdat het college volgens [appellant] heeft toegelicht dat bij een concrete match verslagen worden gemaakt, moet er volgens [appellant] een document zijn over de door het college gemaakte afspraken met Stichting Limor waarin persoonsgegevens van hem zijn verwerkt. Het college heeft hem ten onrechte geen inzage gegeven in die persoonsgegevens in dat document.
3. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college heeft voldaan aan het inzageverzoek van [appellant]. Het is niet ongeloofwaardig dat het college niet beschikt over het document met persoonsgegevens van [appellant] dat er volgens [appellant] zou moeten zijn. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland van 14 augustus 2023, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft voldoende gemotiveerd op welke wijze het een zorgvraag voorlegt aan zorgaanbieders, waarom daarbij geen persoonsgegevens worden verwerkt en waarom er in dit geval geen andere stukken met persoonsgegevens van [appellant] zijn dan die waarin al inzage is gegeven. [appellant] heeft het tegendeel ook in hoger beroep niet concreet onderbouwd en aannemelijk gemaakt.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
844-1202
Volledige tekst
202505061/1/A3.
Datum uitspraak: 12 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Groningen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 augustus 2025 in zaak nr. 24/2106 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
Openbare zitting gehouden op 12 oktober 2026 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. M. van Wezep
jurist: mr. C.T. Wildschut
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. P.N. Huisman, advocaat in Groningen;
het college, vertegenwoordigd door mr. H. Blokzijl en I.M. van Dijk-Abeln.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 6 augustus 2025 van de rechtbank Noord-Nederland.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Motivering:
1. [appellant] heeft het college op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage van zijn persoonsgegevens uit de stukken van de afspraken zoals die in de e-mail van 4 augustus 2023 van een ambtenaar van de gemeente worden genoemd. Het college heeft bij besluit van 1 december 2023 de aanvraag deels toegewezen en een kopie van de verwerkte persoonsgegevens die betrekking hebben op [appellant] aan hem verstrekt. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens [appellant] heeft hij niet volledig inzage gekregen in zijn persoonsgegevens, omdat hij geen inzage heeft gekregen in zijn persoonsgegevens uit de stukken over de door het college gemaakte afspraken met Stichting Limor. Het college heeft op 28 maart 2024 twee aanvullende telefoonnotities aan [appellant] verstrekt. Het college heeft vervolgens zijn bezwaar ongegrond verklaard.
2. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft voldaan aan zijn inzageverzoek. [appellant] voert hiertoe aan dat het college heeft aangegeven dat er een concrete match was tussen [appellant] en Stichting Limor. Hij wijst daarbij op de uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland van 14 augustus 2023, zaaknummer 23/3171, waarin staat dat het de rechtbank is gebleken dat het college met Stichting Limor de afspraak heeft gemaakt dat deze zorgaanbieder op het moment dat [appellant] daarmee akkoord gaat direct zorg kan leveren aan [appellant]. Omdat het college volgens [appellant] heeft toegelicht dat bij een concrete match verslagen worden gemaakt, moet er volgens [appellant] een document zijn over de door het college gemaakte afspraken met Stichting Limor waarin persoonsgegevens van hem zijn verwerkt. Het college heeft hem ten onrechte geen inzage gegeven in die persoonsgegevens in dat document.
3. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college heeft voldaan aan het inzageverzoek van [appellant]. Het is niet ongeloofwaardig dat het college niet beschikt over het document met persoonsgegevens van [appellant] dat er volgens [appellant] zou moeten zijn. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland van 14 augustus 2023, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft voldoende gemotiveerd op welke wijze het een zorgvraag voorlegt aan zorgaanbieders, waarom daarbij geen persoonsgegevens worden verwerkt en waarom er in dit geval geen andere stukken met persoonsgegevens van [appellant] zijn dan die waarin al inzage is gegeven. [appellant] heeft het tegendeel ook in hoger beroep niet concreet onderbouwd en aannemelijk gemaakt.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
844-1202
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.