Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6196Zaaknummer 202500339/1/V1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202500339/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.34268;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Van Den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
941-1046
Volledige tekst
202500339/1/V1.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.34268 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Op 10 november 2024 heeft de minister dat besluit aangevuld.
Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 augustus 2024 door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het gaat om de daarin vermelde geboortedatum, deze geboortedatum vastgesteld op [geboortedatum] en bepaald dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit aan betrokkene uitreikt, waarin hij deze geboortedatum vermeldt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F. Jansen, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft op 26 juli 2022 een asielaanvraag ingediend. Zij heeft de Somalische nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene ingewilligd, waarin hij ervan uitgaat dat de geboortedatum van betrokkene 1 januari 2002 is. De minister heeft naar aanleiding van de beroepsgronden van betrokkene van 1 oktober 2024 in de aanvullende motivering van 10 november 2024 erkend dat zijn besluit een motiveringsgebrek bevat en toegelicht waarom hij uitgaat van de geboortedatum 1 januari 2002.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij uitgaat van de geboortedatum 1 januari 2002. Bij dat oordeel heeft de rechtbank de leeftijdsschouwen door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de IND en de verklaringen van betrokkene over het leeftijdsregistratieproces in Griekenland in aanmerking genomen. De rechtbank heeft de kopieën van de geboorteakte en de ID-verklaring die betrokkene tijdens het aanmeldgehoor van 17 november 2022 heeft overgelegd, waarin staat dat zij is geboren op [geboortedatum], niet betrokken bij haar oordeel. Volgens de rechtbank is het namelijk de vraag of de minister op 6 oktober 2022 mocht overgaan tot het wijzigen van de geboortedatum van betrokkene. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door de geboortedatum van betrokkene vast te stellen op [geboortedatum] en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt waarin hij deze geboortedatum vermeldt.
De kopieën van de geboorteakte en de ID-verklaring
3. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank de kopieën van de geboorteakte en de ID-verklaring die betrokkene na 6 oktober 2022 heeft overgelegd ten onrechte niet heeft betrokken bij haar oordeel. De beoordeling van de leeftijd vindt niet plaats op een bepaald peilmoment. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat zij moest bezien of de minister op 6 oktober 2022 mocht overgaan tot het wijzigen van de geboortedatum van betrokkene. De minister heeft genoemde stukken bovendien betrokken in de aanvullende motivering van 10 november 2024. Het lag in het licht daarvan en gelet op artikel 83a van de Vw 2000 - op grond waarvan in asielzaken bij de rechtbank een volledig en ex-nunconderzoek plaatsvindt - op de weg van de rechtbank om deze stukken ook bij haar oordeel te betrekken. De grief slaagt.
Leeftijdsbeoordeling in deze zaak
4. De minister klaagt in zijn tweede en derde grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij de geboortedatum van betrokkene mocht wijzigen. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking.
4.1. In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat de minister zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hij bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt. De Afdeling heeft in dat verband verder overwogen dat dit niet betekent dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij in beginsel aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. De minister moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.3, overwogen dat, als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, zoals hier het geval, de minister moet informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
4.2. De Afdeling is van oordeel dat de minister in dit geval de beoordeling op juiste wijze heeft uitgevoerd en zijn besluit deugdelijk heeft gemotiveerd en legt dat hierna uit.
4.3. Naar aanleiding van een onderzoek in het Eurodac-systeem heeft de minister tijdens het aanmeldgehoor van 29 juli 2022 aan betrokkene gevraagd welke geboortedatum zij in Griekenland heeft opgegeven. Betrokkene heeft toen verklaard dat zij in Griekenland, zonder na te denken, zelf heeft gezegd dat zij negentien jaar oud was. De minister heeft vervolgens nader onderzoek gedaan in Griekenland en van de Griekse autoriteiten een brief ontvangen op 22 september 2022. Daaruit blijkt dat de Griekse autoriteiten betrokkene hebben geregistreerd met de geboortedatum 1 januari 2002, haar hebben geïdentificeerd op basis van de informatie die zij heeft verstrekt en dat betrokkene geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Vervolgens heeft betrokkene tijdens het nader gehoor van 25 oktober 2023 verklaard dat er bij de leeftijdsregistratie in Griekenland een hele groep Somaliërs was en dat er één persoon was die aan de autoriteiten vertelde wie en hoe oud de aanwezigen waren. De Afdeling merkt op dat de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen afbreuk doen aan de eerdere verklaring van betrokkene tijdens het nader gehoor en niet in overeenstemming zijn met de inhoud van de brief van de Griekse autoriteiten van 22 september 2022. Daaruit blijkt immers dat zij haar leeftijd zelf heeft opgegeven in Griekenland. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft betrokkene geen uitleg gegeven voor deze wisselende verklaringen. Zij heeft in haar beroepsgronden van 1 oktober 2024 alleen verwezen naar algemene landeninformatie over onzorgvuldige registraties in het kader van de leeftijdsvaststelling van asielzoekers in Griekenland. Die informatie wijst op het voorkomen van onjuiste registraties wegens bijvoorbeeld administratieve fouten, het niet registreren van een op minderjarigheid duidende leeftijd of het buiten beschouwing laten van bewijsstukken. Deze algemene informatie gaat echter niet over de situatie van betrokkene, omdat uit het voorgaande blijkt dat zij in Griekenland zelf een datum als meerderjarige heeft opgegeven, en daarbij ook geen documenten heeft overgelegd. Er zijn dus geen aanknopingspunten voor een oordeel dat de Griekse autoriteiten de leeftijd van betrokkene niet overeenkomstig haar opgave zouden hebben geregistreerd. Evenmin volgt uit genoemde algemene informatie een verklaring voor het door betrokkene wisselend, en deels in strijd met de door de Griekse autoriteiten en door haarzelf verstrekte informatie, verklaren over deze registratie. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan de uitleg van betrokkene over haar wisselende verklaringen.
4.4. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij geen waarde toekent aan de geboorteakte en de ID-verklaring die betrokkene heeft overgelegd. Zoals betrokkene in haar schriftelijke uiteenzetting stelt, mag de minister aan dergelijke documenten, ook als deze zoals in dit geval alleen in kopie zijn overgelegd, niet bij voorbaat geen bewijswaarde toekennen maar moet hij motiveren waarom hij aan die documenten niet de waarde hecht die een vreemdeling hieraan gehecht wil zien. In dit geval is de minister ook ingegaan op de inhoud en de bewijswaarde van de overgelegde documenten. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat die documenten kopieën zijn die Bureau Documenten niet op echtheid kan onderzoeken. Voorts heeft hij gesteld dat de documenten pas na aankomst in Nederland zijn opgemaakt en betrokkene geen verklaring heeft gegeven voor hoe zij aan deze documenten is gekomen en onder welke omstandigheden deze documenten zijn afgegeven. De minister heeft daarbij tevens betrokken dat betrokkene over het bestaan en de verkrijging van deze documenten vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Met de minister constateert de Afdeling dat betrokkene eerst heeft verklaard dat zij niet over documenten beschikte, maar vervolgens dat zij wel over documenten beschikt, maar dat zij deze heeft achtergelaten. Later in de procedure heeft betrokkene echter alsnog documenten overgelegd, die echter pas zijn opgemaakt na haar aankomst in Nederland. Die documenten bestonden dus niet en kon betrokkene dus ook niet hebben achtergelaten ten tijde van haar vertrek uit Somalië. Naar het oordeel van de Afdeling heeft betrokkene geen bevredigende verklaring gegeven voor voormelde tegenstrijdigheden en evenmin voor het door haar niet in origineel overleggen van genoemde documenten. Dit maakt dat de minister aan genoemde documenten niet die bewijswaarde heeft hoeven toekennen die betrokkene daaraan toegekend wenst te zien. Gelet daarop en wat de Afdeling onder 4.3 heeft overwogen, concludeert de Afdeling dan ook dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat het door betrokkene gestelde geen plausibele verklaring vormt voor de door haar in Nederland gestelde minderjarigheid in afwijking van de eerder door haar in Griekenland opgegeven meerderjarigheid. De minister mocht daarom ook tot de conclusie komen dat er geen reden is om de leeftijdsregistratie van betrokkene te wijzigen in de door haar gewenste zin. Het is in het verlengde daarvan niet nodig om het betoog van de minister over de inzichtelijkheid van de processen-verbaal van de leeftijdsschouwen van de IND en AVIM te bespreken.
4.5. De grieven slagen.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.34268;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Van Den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
941-1046
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.