Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6183Zaaknummer 202501026/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202501026/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 februari 2025 in zaak nr. NL24.46497;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
1017
Volledige tekst
202501026/1/V3.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 februari 2025 in zaak nr. NL24.46497 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I. Wudka, advocaat in Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en betrokkene hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene geen beroepsgronden heeft ingediend. Maar zij heeft vervolgens overwogen dat zij het ingestelde beroep niet niet-ontvankelijk zal verklaren, omdat zij ambtshalve aan het beginsel van non-refoulement moet toetsen, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:82. Volgens de rechtbank moet zij op grond van de uitleg van het Hof van artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn in het arrest van 4 oktober 2024, CV, ECLI:EU:C:2024:841, ambtshalve toetsen of is voldaan aan de materiële voorwaarden om Senegal als veilig land van herkomst aan te merken.
3. De minister betoogt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve heeft getoetst of is voldaan aan de materiële voorwaarden om Senegal als veilig land van herkomst aan te merken. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat er geen beroepsgronden waren ingediend. Volgens de minister had de rechtbank daarom tot de conclusie moeten komen dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3.1. Uit artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat, indien het beroepschrift geen gronden bevat, dit aanleiding kan zijn om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank moet in zaken zoals deze, waarin Unierechtelijke rechtsvragen aan de orde zijn, echter eerst toetsen of aanleiding bestaat om de desbetreffende nationale procedureregel buiten toepassing te laten.
3.2. Volgens het beginsel van procedurele autonomie is het namelijk een aangelegenheid van elke lidstaat om procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende rechten. Maar wel met de voorwaarden dat deze regels in situaties die onder het Unierecht vallen, niet ongunstiger zijn dan in soortgelijke situaties die onder het nationale recht vallen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Zie het arrest van het Hof van 16 december 1976, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188. Daarnaast geldt in het Unierecht het beginsel van effectieve rechtsbescherming; zie artikel 47 van het EU Handvest en het arrest van het Hof van 18 maart 2010, Alassini e.a., ECLI:EU:C:2010:146, punt 61.
3.3. De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte van de nationale procedureregel in artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb heeft afgeweken. Daarvoor is allereerst van belang dat uit de Procedurerichtlijn, in het bijzonder artikel 46, vierde lid, niet volgt dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor beroep in asielzaken geharmoniseerd zijn. In die bepaling staat namelijk dat de lidstaten "redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften" kunnen vaststellen voor de uitoefening van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de ontvankelijkheidsvoorwaarden genoemd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb dergelijke andere vereiste voorschriften.
3.4. Dit betekent dat de toepassing van deze artikelen binnen de procedurele autonomie valt en aan het gelijkheids- en doeltreffendheidsbeginsel en aan artikel 47 van het EU Handvest moet voldoen. De Afdeling ziet geen aanwijzingen voor het oordeel dat dat niet het geval is. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat artikel 6:6 van de Awb de mogelijkheid biedt om een ontvankelijkheidsgebrek te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Verder is van belang dat als, zoals in deze zaak, beroep is ingesteld maar geen beroepsgronden zijn ingediend, de bestuursrechter ambtshalve, op basis van wat in de gehele procedure naar voren is gekomen, zal beoordelen of het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van het EVRM, zou worden geschonden. Dit laatste vergt een zelfstandige beoordeling van de bestuursrechter of wat betrokkene heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat hij bij uitzetting een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM (Bahaddar-omstandigheden). De Afdeling wijst op haar uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, onder 6 tot en met 6.3.
3.5. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de minister terecht betoogt dat de rechtbank van een onjuist toetsingskader is uitgegaan. Omdat betrokkene geen beroepsgronden heeft ingediend bij de rechtbank en niet is gebleken dat zich Bahaddar-omstandigheden voordoen, had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
3.6. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.7. De grief slaagt. De eerste grief, gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het aanwijzen van Senegal als veilig land van herkomst, behoeft daarom geen bespreking.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 februari 2025 in zaak nr. NL24.46497;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
1017
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.