Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6148Zaaknummer BRS.25.000761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.25.000761
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.28875;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzitter

w.g. Tibold

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

853-1143

Volledige tekst

BRS.25.000761

ECLI:NL:RVS:2026:6148Datum uitspraak: 21 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.28875 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Hij was van 1993 tot 2016 politieagent in Turkije. Kort na de couppoging van 15 juli 2016 is hij per decreet ontslagen en wegens vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging gearresteerd en gedetineerd. In april 2018 is hij vrijgelaten en anderhalf jaar later in hoger beroep vrijgesproken. In 2022 is hij erachter gekomen dat een nieuw onderzoek naar hem was gestart nadat een collega zijn naam bij de autoriteiten had laten vallen en is hij vertrokken naar Nederland. Betrokkene heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest opnieuw te worden opgepakt door de Turkse autoriteiten.

1.1. De minister heeft geloofwaardig geacht dat de Turkse autoriteiten betrokkene Gülenisme toedichten en heeft hem om die reden aangemerkt als een vreemdeling die valt onder een risicogroep. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat appellant geen gegronde vrees heeft voor vervolging. De minister heeft hierbij betrokken dat betrokkene tussen zijn detentie en zijn vertrek uit Turkije geen problemen heeft gehad met de Turkse autoriteiten en dat zij inmiddels hebben besloten om betrokkene niet opnieuw strafrechtelijk te vervolgen.

1.2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Grieven

2. De minister klaagt in de eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat uit de door betrokkene in beroep overgelegde bronnen, waaronder het Algemeen Ambtsbericht inzake Turkije van augustus 2023 en februari 2025 en een rapport van de Finse Immigratiedienst van juni 2024, geen eenduidige conclusie kan worden getrokken over de intensiteit en willekeur van de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije en dat hij de overgelegde informatie bij zijn standpunt selectief heeft weergegeven.

2.1. In de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7-7.10, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot de vanaf 1 december 2023 geldende wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24) heeft kunnen komen, omdat uit de relevante landeninformatie volgt dat de situatie voor Gülenisten in Turkije minder diffuus en slecht is dan in de periode kort na de mislukte couppoging van 15 juli 2016. De informatie over de situatie voor Gülenisten in Turkije die betrokkene in beroep heeft overgelegd, heeft de Afdeling bij dat oordeel betrokken. De minister betoogt terecht dat hij van betrokkene mag verwachten dat hij zijn vrees voor vervolging met geringe indicaties aannemelijk maakt. De grief slaagt.

3. De minister klaagt in de tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene zijn vrees voor vervolging niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt.

3.1. Betrokkene is eerder gearresteerd en gedetineerd geweest wegens hem toegedicht Gülenisme. De minister betoogt echter terecht dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat in dit specifieke geval die detentie niet al een geringe indicatie is dat een dergelijke vervolging zich opnieuw zal voordoen. De minister heeft namelijk zijn beoordeling deugdelijk gemotiveerd door daarbij onder meer terecht te betrekken dat betrokkene eind 2019 voor de feiten waarvoor hij gearresteerd en gedetineerd is geweest, is vrijgesproken, en dat hij vanaf zijn vrijlating uit detentie in april 2018 tot aan maart 2022 geen problemen met de Turkse autoriteiten heeft gehad. Verder heeft de minister hierbij terecht betrokken dat betrokkene begin 2022 weliswaar onderwerp is geweest van een nieuw strafrechtelijk onderzoek, maar dat de Turkse openbaar aanklager heeft besloten om niet tot vervolging over te gaan, omdat betrokkene al eerder wegens dezelfde feiten is onderzocht. Hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van zijn asielaanvraag nog te vrezen had voor daden van vervolging van de Turkse autoriteiten wegens het hem eerder toegedichte Gülenisme. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister dus terecht gesteld dat betrokkene niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. De grief slaagt.

4. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door de minister opgeworpen vraag over artikel 4, vierde lid, en artikel 9 van de Kwalificatierichtlijn, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.28875;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzitter

w.g. Tibold

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

853-1143

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.