Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 22 september 2026

ECLI:NL:RVS:2026:5712Zaaknummer 202504309/3/R3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
30 september 2026
Zaaknummer
202504309/3/R3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 22 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tzummarum – [locatie]", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Vergistingsbedrijf", geschorst. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter vervolgens verzocht de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

Volledige tekst

202504309/3/R3.Datum uitspraak: 22 september 2026

AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van:

[verzoeker], gevestigd in Tzum, gemeente Waadhoeke,

verzoeker,

om opheffing van bij de uitspraak van de bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

[partij A] en anderen, allen wonend in Tzummarum, gemeente Waadhoeke, en Wildervank, gemeente Veendam

en

de raad van de gemeente Waadhoeke,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 22 september 2026 om 13:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. N. Verheij, voorzieningenrechter

griffier: mr. M. Priem

Verschenen:

[verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis;

de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Nuijens, advocaat te Groningen, R. Wierstra en G. Haisma;

[partij A] en anderen;

[partij B] en [partij C].

====================================

Bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 22 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tzummarum – [locatie]", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Vergistingsbedrijf", geschorst.

Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de raad ingestemd met de aanvullende zienswijzennota en besloten de toelichting van het bestemmingsplan van 22 mei 2025 te wijzigen.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter vervolgens verzocht de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

De voorzieningenrechter heft de in de uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286, getroffen voorlopige voorziening op.

De voorzieningenrechter is om de volgende reden tot dit oordeel gekomen.

De raad stelt zich in het besluit van 21 mei 2026 op het standpunt dat de verruimingsmogelijkheden in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. [partij A] en anderen betogen dat dit niet het geval is. Zij vrezen voor overlast. Deze procedure over opheffing van de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening leent zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van deze standpunten. De voorzieningenrechter zal daarom geen voorlopig inhoudelijk oordeel geven over de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, maar op grond van een belangenafweging beslissen of aanleiding bestaat om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

[verzoeker] heeft zijn belang bij opheffing van de voorlopige voorziening toegelicht. Hij stelt belang te hebben bij het kunnen starten met het vergisten van mest en co-producten tot een maximum van 100.000 ton per jaar. Hij heeft fors geïnvesteerd met eigen kapitaal om over te kunnen schakelen van fossiele brandstoffen naar duurzaam opgewekte energie. Er zijn op korte termijn vervolginvesteringen nodig die [verzoeker] niet zelf kan financieren. Hiertoe is de bank bereid, maar alleen als het plan in werking treedt. [verzoeker] heeft toegelicht dat het voortbestaan van zijn bedrijf zonder de benodigde financiering van de bank in gevaar komt. Hiertegenover staat het belang van [partij A] en anderen, zoals door hen op de zitting is toegelicht, om te voorkomen dat zij overlast van geur en verkeer ondervinden. De voorzieningenrechter vindt het belang van [verzoeker] bij opheffing zwaarder wegen dan de belangen van [partij A] en anderen.

De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Verheijvoorzieningenrechter

w.g. Priemgriffier

646

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.