Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 14 februari 2025

ECLI:NL:RVS:2025:568Zaaknummer 202204042/1/V3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
202204042/1/V3
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van de vreemdeling om hem een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Van Bekhoven

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2025

959

Volledige tekst

202204042/1/V3.

Datum uitspraak: 14 februari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 juni 2022 in zaak nr. NL21.17112 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2021 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2021 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.T. Gerbrandy, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. Uit de aanvraag van de vreemdeling blijkt dat hij een visum heeft aangevraagd om zich bij een burger van de Unie te voegen voor een verblijf van 31 dagen. De uitspraak van de rechtbank gaat daarom over een visum voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld. Dat staat in artikel 84, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Van Bekhoven

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2025

959

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.