Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 3 februari 2025
ECLI:NL:RVS:2025:376Zaaknummer 202407907/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 3 februari 2025
- Publicatiedatum
- 5 februari 2025
- Zaaknummer
- 202407907/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2025
846-1137
Volledige tekst
202407907/1/V3.
Datum uitspraak: 3 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 december 2024 in zaak nr. NL24.41851 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Szirmai, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, onder 3-3.2, over de betekenis van het AIDA-rapport Bulgarije over 2023 (verschenen in april 2024) voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij de overdracht van Dublinclaimanten aan Bulgarije).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2025
846-1137
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20861 Rechtbank Den Haag, 7 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26401 Rechtbank Den Haag, 8 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10971 Rechtbank Den Haag, 20 juni 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12951 Rechtbank Den Haag, 13 juni 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9399 Rechtbank Den Haag, 23 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9140 Rechtbank Den Haag, 21 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12868 Rechtbank Den Haag, 18 april 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5321 Rechtbank Den Haag, 26 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2924 Rechtbank Den Haag, 18 februari 2025 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.