Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 10 juli 2025
ECLI:NL:RVS:2025:3082Zaaknummer 202502356/1/V1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 10 juli 2025
- Publicatiedatum
- 16 juli 2025
- Zaaknummer
- 202502356/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025
1028
Volledige tekst
202502356/1/V1.
Datum uitspraak: 10 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 2 april 2025 in zaak nr. NL24.43047 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in de enige grief over het oordeel van de rechtbank dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië (hierna: het moratorium) ook van toepassing is op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium van kracht werd op 13 december 2024 (Stcrt. 2024, nr. 41538). Volgens appellant is deze toepassing van artikel 43 van de Vw 2000 in strijd met de bewoording en het doel van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.
1.1. De door appellant opgeworpen vraag heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3. Uit die uitspraak volgt het uitgangspunt dat een moratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik daarvan vallen en een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben lopen waarop de minister nog geen besluit heeft genomen. Dit uitgangspunt is niet in strijd met de Procedurerichtlijn. Uit de tekst van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn blijkt immers dat het mogelijk is om een besluit op een individuele aanvraag uit te stellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is en waardoor redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de beslissingsautoriteit een besluit neemt. Dit is overigens wel onder de voorwaarde dat de beslissingsautoriteit een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend van dat uitstel op de hoogte stelt. Bij het instellen van een besluitmoratorium gebeurt dit ook. Het besluit, dat van algemene strekking is, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Vervolgens stelt de minister elke vreemdeling op wie het moratorium van toepassing is, daarvan individueel op de hoogte. Op die manier voldoet de minister aan de vereisten die de Procedurerichtlijn aan het uitstellen van individuele besluiten in situaties als deze stelt.
1.2. Gelet op de uitspraak van 23 oktober 2019, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat het moratorium ook van toepassing is op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium werd ingesteld, waaronder de aanvraag van appellant. De grief slaagt niet.
1.3. Appellant heeft de Afdeling verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. Uit het voorgaande volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025
1028
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2026:5232 Raad van State, 9 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2026:5233 Raad van State, 9 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15499 Rechtbank Den Haag, 13 mei 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10794 Rechtbank Den Haag, 4 mei 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12580 Rechtbank Den Haag, 4 mei 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12520 Rechtbank Den Haag, 30 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14128 Rechtbank Den Haag, 22 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15390 Rechtbank Den Haag, 21 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15391 Rechtbank Den Haag, 21 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9572 Rechtbank Den Haag, 20 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15036 Rechtbank Den Haag, 15 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9205 Rechtbank Den Haag, 15 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9049 Rechtbank Den Haag, 13 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9055 Rechtbank Den Haag, 13 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9056 Rechtbank Den Haag, 13 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13874 Rechtbank Den Haag, 10 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 Rechtbank Den Haag, 10 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8328 Rechtbank Den Haag, 2 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8331 Rechtbank Den Haag, 2 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7835 Rechtbank Den Haag, 1 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7831 Rechtbank Den Haag, 26 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6706 Rechtbank Den Haag, 25 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6707 Rechtbank Den Haag, 25 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6709 Rechtbank Den Haag, 25 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6711 Rechtbank Den Haag, 25 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6567 Rechtbank Den Haag, 20 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5838 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5840 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5843 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8045 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8049 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8144 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8147 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8148 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8150 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8152 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8372 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8373 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8374 Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8375 Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8377 Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5558 Rechtbank Den Haag, 16 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5532 Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7725 Rechtbank Den Haag, 12 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5076 Rechtbank Den Haag, 11 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4812 Rechtbank Den Haag, 9 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7814 Rechtbank Den Haag, 9 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8864 Rechtbank Den Haag, 5 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4357 Rechtbank Den Haag, 4 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4359 Rechtbank Den Haag, 4 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4846 Rechtbank Den Haag, 2 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5058 Rechtbank Den Haag, 19 februari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3235 Rechtbank Den Haag, 13 februari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2958 Rechtbank Den Haag, 5 februari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2968 Rechtbank Den Haag, 29 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1707 Rechtbank Den Haag, 28 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1709 Rechtbank Den Haag, 28 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7738 Rechtbank Den Haag, 22 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7755 Rechtbank Den Haag, 22 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1266 Rechtbank Den Haag, 20 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.