Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 6 mei 2025

ECLI:NL:RVS:2025:2015Zaaknummer 202406193/1/V1

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 mei 2025
Publicatiedatum
14 mei 2025
Zaaknummer
202406193/1/V1
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Gazai

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2025

1028

Volledige tekst

202406193/1/V1.

Datum uitspraak: 6 mei 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2024 in zaak nr. NL24.12598 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Gazai

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2025

1028

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.