Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 30 mei 2024
ECLI:NL:RVS:2024:2194Zaaknummer BRS.24.000170
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 30 mei 2024
- Publicatiedatum
- 5 juni 2024
- Zaaknummer
- BRS.24.000170
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 2 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2024
644-1058
Volledige tekst
BRS.24.000170
Datum uitspraak: 30 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 2 mei 2024 in zaak nr. NL24.16163 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 2 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.P. Dayala, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553, onder 6.1, over zicht op uitzetting en het ontbreken van een verplichting tot voortvarend handelen ter voorbereiding van de uitzetting bij een inbewaringstelling krachtens artikel 59b van de Vw 2000). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2024
644-1058
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28717 Rechtbank Den Haag, 24 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30082 Rechtbank Den Haag, 22 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28584 Rechtbank Den Haag, 7 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21661 Rechtbank Den Haag, 15 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15876 Rechtbank Den Haag, 13 mei 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3675 Rechtbank Den Haag, 16 februari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10435 Rechtbank Den Haag, 13 juni 2025 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.