Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 6 mei 2024
ECLI:NL:RVS:2024:1902Zaaknummer 202402304/1/V2 en 202402304/2/V2
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 6 mei 2024
- Publicatiedatum
- 8 mei 2024
- Zaaknummer
- 202402304/1/V2 en 202402304/2/V2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 8 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2024
897-1003
Volledige tekst
202402304/1/V2 en 202402304/2/V2.
Datum uitspraak: 6 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 april 2024 in zaak nr. NL24.9301 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. Ngasirin, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6 en 7 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2024
897-1003
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29432 Rechtbank Den Haag, 1 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27817 Rechtbank Den Haag, 15 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23220 Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20276 Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16155 Rechtbank Den Haag, 19 mei 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7238 Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7234 Rechtbank Den Haag, 16 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9588 Rechtbank Den Haag, 10 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 Rechtbank Den Haag, 9 maart 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3649 Rechtbank Den Haag, 13 februari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2174 Rechtbank Den Haag, 13 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26502 Rechtbank Den Haag, 19 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21981 Rechtbank Den Haag, 12 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21986 Rechtbank Den Haag, 12 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22011 Rechtbank Den Haag, 12 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22594 Rechtbank Den Haag, 17 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22595 Rechtbank Den Haag, 17 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18655 Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14972 Rechtbank Den Haag, 24 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14974 Rechtbank Den Haag, 24 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11411 Rechtbank Den Haag, 25 juni 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14790 Rechtbank Den Haag, 13 juni 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9583 Rechtbank Den Haag, 30 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10104 Rechtbank Den Haag, 28 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2929 Rechtbank Den Haag, 24 januari 2025 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.