Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 24 april 2024

ECLI:NL:RVS:2024:1680Zaaknummer 202400554/2/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
1 mei 2024
Zaaknummer
202400554/2/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2021 heeft de minister van Financiën het verzoek van [wederpartij] om inzage in zijn gegevens toegekend. De minister is voor het door hem ingestelde verzoek om voorlopige voorziening griffierecht verschuldigd. Een verzoek wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:82, derde lid, van de Awb niet‑ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een verzoekschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Polak

voorzieningenrechter

w.g. Ley-Nell

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024

597-1013

Volledige tekst

202400554/2/A3.

Datum uitspraak: 24 april 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna de Awb), hangende het hoger beroep van:

de minister van Financiën,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2023 in zaak nr. 22/3135 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2021 heeft de minister het verzoek van [wederpartij] om inzage in zijn gegevens toegekend.

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 november 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2024, waar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. N Idrissi, advocaat te Rotterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. De minister is voor het door hem ingestelde verzoek om voorlopige voorziening griffierecht verschuldigd. Een verzoek wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:82, derde lid, van de Awb niet‑ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een verzoekschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. De minister heeft geen griffierecht betaald. De minister heeft hiervoor in een e-mail van 17 april 2024 aan de voorzieningenrechter zijn excuses aangeboden maar geen feiten of omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de minister in verzuim is geweest. Het verzoek moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Polak

voorzieningenrechter

w.g. Ley-Nell

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024

597-1013

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.