Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 23 november 2023
ECLI:NL:RVS:2023:4348Zaaknummer 202305829/1/V3 en 202305829/2/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 23 november 2023
- Publicatiedatum
- 29 november 2023
- Zaaknummer
- 202305829/1/V3 en 202305829/2/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22068;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2023
347-1017
Volledige tekst
202305829/1/V3 en 202305829/2/V3.
Datum uitspraak: 23 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22068 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij mondelinge uitspraak van 17 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan heeft de Afdeling bij uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
2.1. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Het voornemen bestond maar uit vier bladzijden en het besluit uit dertien bladzijden. Ook heeft hij aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte niet in het voornemen, maar pas in het besluit is ingegaan op zijn individuele ervaringen in Kroatië, de Kamerbrief van 20 januari 2023 en de daarbij behorende beslisnota van 21 december 2022 over Dublinoverdrachten aan Kroatië (Kamerstukken II 2022/2023, 19 637, nr. 3061). De Afdeling volgt de vreemdeling hierin niet. Dat het voornemen minder lang was dan het besluit, betekent nog niet dat de besluitvorming onzorgvuldig is. In het voornemen heeft de staatssecretaris voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Daarin staat ook dat de staatssecretaris geen reden ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van de staatssecretaris dragende overwegingen opgenomen.
De staatssecretaris heeft het besluit wel uitgebreider gemotiveerd dan het voornemen. Dit ook als reactie op de zienswijze. Geen grond bestaat voor het oordeel dat dit onzorgvuldig is of dat de staatssecretaris gehouden was om een nieuw voornemen uit te brengen. Er hebben zich na het toezenden van het voornemen namelijk geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 3.119, aanhef en onder a, van het Vb 2000 voorgedaan. Dat de staatssecretaris in het besluit voor het eerst meer specifiek ingaat op de individuele ervaringen van de vreemdeling, de Kamerbrief van 20 januari 2023 en de daarbij behorende beslisnota van 21 december 2022 maakt dit niet anders. Dat is namelijk geen nieuwe beoordeling van reeds bekende feiten in de zin van artikel 3.119, aanhef en onder b, van het Vb 2000. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
2.2. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris zijn informatieplicht heeft geschonden (artikel 4, eerste lid, van de Dublinverordening). Daarvoor voert hij aan dat de staatssecretaris de brochures over de Dublinprocedure wel aan hem heeft uitgereikt, maar dat hij daar geen kennis van heeft kunnen nemen omdat hij niet goed kan lezen. De Afdeling stelt vast dat de vreemdeling tijdens het Dublingehoor op de vraag of hij de brochures heeft gelezen en hij deze begrijpt, heeft verklaard dat hij geen vragen had over de verstrekte brochures. De staatssecretaris heeft dus aan zijn informatieverplichting voldaan. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
2.3. De vreemdeling betoogt ook nog dat de staatssecretaris ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van artikel 17 van de Dublinverordening. Hij heeft in zijn beroepschrift echter niet aangevoerd welke bijzondere individuele omstandigheden maken dat zijn overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De staatssecretaris heeft daarom redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek krachtens artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt dus niet.
2.4. De vreemdeling heeft tot slot betoogd dat deze zaak moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel die door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Gelet op wat de Afdeling onder 3.1 van de uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, heeft overwogen, bestaat er geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van die vragen. Wat de vreemdeling hierover heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22068;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2023
347-1017
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27503 Rechtbank Den Haag, 14 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20786 Rechtbank Den Haag, 10 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20270 Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18502 Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9821 Rechtbank Den Haag, 8 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1892 Rechtbank Den Haag, 28 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24718 Rechtbank Den Haag, 11 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21494 Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18655 Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15635 Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13860 Rechtbank Den Haag, 25 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14974 Rechtbank Den Haag, 24 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13120 Rechtbank Den Haag, 16 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12301 Rechtbank Den Haag, 26 juni 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9399 Rechtbank Den Haag, 23 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9132 Rechtbank Den Haag, 21 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12892 Rechtbank Den Haag, 9 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21358 Rechtbank Den Haag, 7 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21395 Rechtbank Den Haag, 7 mei 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9191 Rechtbank Den Haag, 15 april 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8581 Rechtbank Den Haag, 11 april 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:1642 Raad van State, 11 april 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4983 Rechtbank Den Haag, 21 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4903 Rechtbank Den Haag, 20 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3094 Rechtbank Den Haag, 20 februari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2115 Rechtbank Den Haag, 14 februari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8999 Rechtbank Den Haag, 29 januari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4134 Rechtbank Den Haag, 21 januari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1582 Rechtbank Den Haag, 10 januari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1767 Rechtbank Den Haag, 9 januari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21819 Rechtbank Den Haag, 23 december 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22826 Rechtbank Den Haag, 18 december 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22829 Rechtbank Den Haag, 18 december 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21553 Rechtbank Den Haag, 25 november 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22904 Rechtbank Den Haag, 25 november 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21262 Rechtbank Den Haag, 21 november 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21326 Rechtbank Den Haag, 15 november 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21193 Rechtbank Den Haag, 11 november 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21398 Rechtbank Den Haag, 11 november 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18126 Rechtbank Den Haag, 31 oktober 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20342 Rechtbank Den Haag, 3 oktober 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21018 Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15621 Rechtbank Den Haag, 27 september 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15543 Rechtbank Den Haag, 18 september 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15547 Rechtbank Den Haag, 18 september 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14609 Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15090 Rechtbank Den Haag, 16 augustus 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:3158 Raad van State, 5 augustus 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:2967 Raad van State, 22 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11372 Rechtbank Den Haag, 19 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11165 Rechtbank Den Haag, 15 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13573 Rechtbank Den Haag, 11 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13440 Rechtbank Den Haag, 9 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:2677 Raad van State, 3 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12513 Rechtbank Den Haag, 21 juni 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8447 Rechtbank Den Haag, 3 juni 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9191 Rechtbank Den Haag, 27 mei 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16382 Rechtbank Den Haag, 24 april 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:1690 Raad van State, 24 april 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:1692 Raad van State, 24 april 2024 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.