Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 1 september 2023
ECLI:NL:RVS:2023:3349Zaaknummer 202305663/2/V2
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 1 september 2023
- Publicatiedatum
- 6 september 2023
- Zaaknummer
- 202305663/2/V2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat de vreemdeling nu geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. Bij uitspraak van 9 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, op hem van toepassing blijft.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, op hem van toepassing is;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2023
853-987
Volledige tekst
202305663/2/V2.
Datum uitspraak: 1 september 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 augustus 2023 in zaak nr. NL23.19504 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de staatssecretaris bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat de vreemdeling nu geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
Bij uitspraak van 9 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, op hem van toepassing blijft.
2. De afgelopen maand hebben bestuursrechters in verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag hun oordeel gegeven over de vraag of de tijdelijke bescherming aan zogeheten ‘derdelanders’ die uit Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht, mag worden beëindigd op 4 september 2023. Zij komen tot uiteenlopende uitkomsten, met verschillende juridische argumentaties. In het kader van deze procedure kan niet zonder nader onderzoek worden geoordeeld wat de juiste uitkomst is.
3. Daarom en gelet op de belangen die de vreemdeling en de staatssecretaris naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. Met deze beslissing loopt de voorzieningenrechter niet vooruit op het eindoordeel van de Afdeling, maar zorgt hij er uitsluitend voor dat niet al uitvoering wordt gegeven aan het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming.
4. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, op hem van toepassing is;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2023
853-987
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11897 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16397 Rechtbank Den Haag, 3 september 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11861 Rechtbank Den Haag, 30 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11719 Rechtbank Den Haag, 26 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:66 Raad van State, 11 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:69 Raad van State, 11 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:71 Raad van State, 11 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:73 Raad van State, 11 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:80 Raad van State, 11 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:81 Raad van State, 11 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:39 Raad van State, 10 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:14 Raad van State, 4 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:15 Raad van State, 4 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4735 Raad van State, 20 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4736 Raad van State, 20 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4737 Raad van State, 20 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4739 Raad van State, 20 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4700 Raad van State, 15 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4675 Raad van State, 14 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4604 Raad van State, 13 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4497 Raad van State, 6 december 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18465 Rechtbank Den Haag, 30 november 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:3447 Raad van State, 11 september 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11897 Rechtbank Den Haag, 9 augustus 2023 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.