Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 29 december 2022
ECLI:NL:RVS:2022:4002Zaaknummer 202206748/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 29 december 2022
- Publicatiedatum
- 4 januari 2023
- Zaaknummer
- 202206748/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022
47
Volledige tekst
202206748/1/V3.
Datum uitspraak: 29 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaak nr. NL22.22476 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Die grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 9 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7722, over schending van artikel 104 van de Vw 2000). De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat zij niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een andere rechtsgang open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710, onder 8. Dat de vreemdeling krachtens de Penitentiaire beginselenwet in het detentiecentrum in isolatie is geplaatst maakt niet dat het detentiecentrum gelijk staat aan een gevangenisomgeving in welk geval de bewaringsrechter zou moeten toetsen of de bewaring nog rechtmatig is. Het detentiecentrum voldoet, anders dan de vreemdeling in zijn tweede grief heeft geklaagd, aan de eisen die in het arrest van het Hof van Justitie van 10 maart 2022, Landkreis Gifhorn, ECLI:EU:C:2022:178, punt 57, zijn gesteld aan een speciale inrichting voor bewaring in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
De tweede grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022
47
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1290 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:609 Rechtbank Den Haag, 8 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18687 Rechtbank Den Haag, 10 september 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6444 Rechtbank Den Haag, 11 april 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4931 Rechtbank Den Haag, 25 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17648 Rechtbank Den Haag, 13 september 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15185 Rechtbank Den Haag, 29 augustus 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13693 Rechtbank Den Haag, 27 augustus 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:700 Raad van State, 21 februari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2085 Rechtbank Den Haag, 13 februari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:3184 Raad van State, 21 augustus 2023 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.