Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 27 oktober 2022

ECLI:NL:RVS:2022:3101Zaaknummer 202106721/1/V2

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27 oktober 2022
Publicatiedatum
2 november 2022
Zaaknummer
202106721/1/V2
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Tibold

griffier

968

Volledige tekst

202106721/1/V2.

Datum uitspraak: 27 oktober 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 28 september 2021 in zaak nr. NL21.7841 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij uitspraak van 28 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit, voor zover het ziet op de geboortedatum van de vreemdeling, vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J. Riesebos, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:653, en van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1165) volgt dat de staatssecretaris er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van mag uitgaan dat de registratie van de geboortedatum in een andere lidstaat van de EU zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat deze registratie onjuist is. De staatssecretaris is terecht uitgegaan van de in Denemarken geregistreerde meerderjarigheid van de vreemdeling. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de vreemdeling er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat die registratie niet juist is.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Tibold

griffier

968

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.