Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 17 oktober 2022
ECLI:NL:RVS:2022:2979Zaaknummer 202202894/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 17 oktober 2022
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2022
- Zaaknummer
- 202202894/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Baldinger
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2022
18
Volledige tekst
202202894/1/V3.
Datum uitspraak: 17 oktober 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2022 in zaak nr. 21/6198 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. In beroep lag alleen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2021 voor. Anders dan de vreemdeling aanvoert hoefde de rechtbank daarom niet meer in te gaan op de juistheid van eerdere besluiten die in eerdere procedures aan de orde zijn geweest. De rechtbank heeft, na de - in hoger beroep niet bestreden - vernietiging van het besluit van 21 oktober 2021, terecht en op goede gronden aanleiding gezien om te bepalen dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Baldinger
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2022
18
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11356 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11356 Rechtbank Den Haag, 15 april 2022 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.