Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 2 september 2020
ECLI:NL:RVS:2020:2128Zaaknummer 202001847/1/V1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 2 september 2020
- Publicatiedatum
- 9 september 2020
- Zaaknummer
- 202001847/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2020 in zaak nr. NL20.3979;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020
282-910.
Volledige tekst
202001847/1/V1.
Datum uitspraak: 2 september 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2020 in zaak nr. NL20.3979 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Greve-Kortrijk, advocaat te Breda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Italië daar volgens hem verantwoordelijk voor is. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat de vreemdeling als alleenstaande zwangere vrouw bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Volgens de rechtbank heeft hij daarom ten onrechte geen individuele garanties bij de Italiaanse autoriteiten gevraagd om te waarborgen dat de noodzakelijke opvang- en zorgvoorzieningen voor de vreemdeling in Italië aanwezig zijn.
2. Wat de staatssecretaris in de enige grief aanvoert, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. Zie de uitspraken van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:987 en ECLI:NL:RVS:2020:986. Uit wat de Afdeling in die uitspraken heeft overwogen, volgt dat de staatssecretaris terecht aanvoert dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voor Italië terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij heeft de Afdeling het rapport ‘Reception conditions in Italy’ van 21 januari 2020 van SFH/OSAR betrokken. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2020 in zaak nr. NL20.3979;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020
282-910.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2021:4606 Rechtbank Den Haag, 29 april 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:1089 Rechtbank Den Haag, 10 februari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13658 Rechtbank Den Haag, 14 december 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14901 Rechtbank Den Haag, 16 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14899 Rechtbank Den Haag, 13 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14905 Rechtbank Den Haag, 6 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14902 Rechtbank Den Haag, 5 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14886 Rechtbank Den Haag, 2 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10862 Rechtbank Den Haag, 29 oktober 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10840 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14766 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14768 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2020 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.