Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 29 april 2020
ECLI:NL:RVS:2020:1141Zaaknummer 202002203/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 29 april 2020
- Publicatiedatum
- 6 mei 2020
- Zaaknummer
- 202002203/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020
347-846.
Volledige tekst
202002203/1/V3.
Datum uitspraak: 29 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2020 in zaak nr. NL20.5544 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het zicht op uitzetting in bewaringszaken gedurende de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus. In deze zaak gaat het over Marokko, maar de overwegingen zijn van overeenkomstige toepassing op maatregelen die door andere landen worden getroffen wegens die uitbraak.
2. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. Hij wijst erop dat er op dit moment niet naar Marokko kan worden gevlogen, dat er geen vooruitzicht is dat de vluchten op korte termijn zullen worden hervat en dat hij niet in persoon zal kunnen worden gepresenteerd. Omdat de Marokkaanse autoriteiten vóór de uitbraak van het coronavirus al nauwelijks reisdocumenten verstrekten, maken deze omstandigheden dat er geen vooruitzicht bestaat dat hij binnen een redelijke termijn uit Nederland kan worden verwijderd, aldus de vreemdeling.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460), zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Marokkaanse autoriteiten in algemene zin geen medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten.
2.2. De omstandigheid dat Marokko op dit moment het luchtruim heeft gesloten wegens de uitbraak van het coronavirus, is op dit moment nog aan te merken als een tijdelijke belemmering. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn, dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
2.3. Dit neemt echter niet weg dat als de huidige situatie voortduurt zonder dat er enig vooruitzicht komt op opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, dit alsnog gevolgen kan hebben voor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het is dan in de eerste plaats aan de staatssecretaris om per geval te bezien of de maatregel kan worden gecontinueerd of moet worden opgeheven en vervolgens aan de bewaringsrechter om dit te toetsen. De vreemdeling kan een vervolgberoep instellen als hij vindt dat de maatregel ten onrechte voortduurt terwijl zicht op uitzetting is komen te ontbreken.
2.4. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt.
De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020
347-846.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2021:2997 Raad van State, 29 december 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:2985 Raad van State, 27 december 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16759 Rechtbank Den Haag, 29 oktober 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:2092 Raad van State, 17 september 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9404 Rechtbank Den Haag, 13 juli 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8325 Rechtbank Den Haag, 12 mei 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:4035 Rechtbank Den Haag, 21 april 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:696 Raad van State, 2 april 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15615 Rechtbank Den Haag, 29 maart 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16315 Rechtbank Den Haag, 5 maart 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14416 Rechtbank Den Haag, 12 februari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14417 Rechtbank Den Haag, 10 februari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15928 Rechtbank Den Haag, 27 januari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:549 Rechtbank Den Haag, 27 januari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:134 Raad van State, 25 januari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15113 Rechtbank Den Haag, 11 december 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15164 Rechtbank Den Haag, 27 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15316 Rechtbank Den Haag, 18 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14810 Rechtbank Den Haag, 16 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14897 Rechtbank Den Haag, 13 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9124 Rechtbank Den Haag, 3 september 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9126 Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:8266 Rechtbank Den Haag, 27 augustus 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13633 Rechtbank Den Haag, 25 augustus 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9610 Rechtbank Den Haag, 29 juli 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6647 Rechtbank Den Haag, 15 juli 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2020:1546 Raad van State, 1 juli 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6171 Rechtbank Den Haag, 26 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5551 Rechtbank Den Haag, 16 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5559 Rechtbank Den Haag, 16 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7920 Rechtbank Den Haag, 5 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4981 Rechtbank Den Haag, 4 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5480 Rechtbank Den Haag, 3 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5481 Rechtbank Den Haag, 3 juni 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4912 Rechtbank Den Haag, 28 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2020:1275 Raad van State, 27 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4772 Rechtbank Den Haag, 26 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4599 Rechtbank Den Haag, 25 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4880 Rechtbank Den Haag, 20 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2020:1238 Raad van State, 20 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4881 Rechtbank Den Haag, 18 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4882 Rechtbank Den Haag, 18 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4601 Rechtbank Den Haag, 15 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4249 Rechtbank Den Haag, 11 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4909 Rechtbank Den Haag, 11 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4212 Rechtbank Den Haag, 8 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4213 Rechtbank Den Haag, 8 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4214 Rechtbank Den Haag, 8 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4603 Rechtbank Den Haag, 6 mei 2020 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.