Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 12 april 2019
ECLI:NL:RVS:2019:1185Zaaknummer 201901967/2/V2
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 12 april 2019
- Publicatiedatum
- 17 april 2019
- Zaaknummer
- 201901967/2/V2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.
w.g. Drop w.g. Wolff
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2019
238.
Volledige tekst
201901967/2/V2.
Datum uitspraak: 12 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2019 in zaak nr. NL19.1014 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 1 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekking voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
1.1. Onder zaak nr. 201705278/1/V2 is bij de Afdeling het hoger beroep van de vreemdeling aanhangig, gericht tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 juni 2017. Op het door de vreemdeling in die zaak ingediende verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 25 juli 2017 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. De vreemdeling heeft daarom geen belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
2. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.
w.g. Drop w.g. Wolff
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2019
238.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.