Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 11 april 2019

ECLI:NL:RVS:2019:1170Zaaknummer 201902536/2/V3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 april 2019
Publicatiedatum
17 april 2019
Zaaknummer
201902536/2/V3
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Laar

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019

551-918.

Volledige tekst

201902536/2/V3.

Datum uitspraak: 11 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4409 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 25 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Met haar verzoek om een voorlopige voorziening wil de vreemdeling voorkomen dat zij wordt uitgezet zolang niet is beslist op haar hoger beroep.

2. Hoewel de vreemdeling binnenkort wordt uitgezet, ziet de voorzieningenrechter in de bewaringsprocedure geen reden om die uitzetting te verbieden. In de bewaringsprocedure wordt namelijk alleen getoetst of de vreemdeling haar vrijheid mocht worden ontnomen. Zelfs als in hoger beroep blijkt dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte in bewaring heeft gesteld, betekent dat niet dat hij niet bevoegd was om haar uit te zetten.

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond en wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Laar

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019

551-918.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.