Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 26 april 2018
ECLI:NL:RVS:2018:1423Zaaknummer 201708371/1/V1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 26 april 2018
- Publicatiedatum
- 2 mei 2018
- Zaaknummer
- 201708371/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.851,00 (zegge: achttienhonderdeenenvijftig euro), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 1.350,00 kosten van deskundigen betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.
w.g. Verheij w.g. Groeneweg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018
32-862.
Volledige tekst
201708371/1/V1.
Datum uitspraak: 26 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 september 2017 in zaak nr. 16/15244 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 1.237,50.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris de aanvraag alsnog ingewilligd.
De vreemdeling heeft hierop een nadere reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 16 november 2017, voor zover thans van belang, de aanvraag alsnog ingewilligd. De vreemdeling heeft per brief van 17 november 2017 medegedeeld zijn hoger beroep te handhaven, omdat hij nog belang heeft bij een uitspraak over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
2. Met de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft de vreemdeling bereikt wat hij met zijn hoger beroep heeft beoogd. De staatssecretaris is met het besluit van 16 november 2017 de vreemdeling geheel tegemoetgekomen. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft hij thans onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3311), geeft de vraag of een veroordeling tot vergoeding van in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Om dezelfde reden moet de vreemdeling worden geacht evenmin belang te hebben bij een beroep tegen het besluit van 16 november 2017. Daardoor is tegen dat besluit geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, waarop nog moet worden beslist.
3. Gelet op het hiervoor overwogene zal de Afdeling het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling.
Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het verwerend bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk.
4.1. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat de staatssecretaris in de kosten van het in beroep overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 15 februari 2017 te veroordelen. Volgens de rechtbank heeft het rapport niet tot een gegrond beroep geleid. De vreemdeling stelt dat er wel aanleiding is de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing.
4.3. De kosten van het iMMO-rapport komen voor vergoeding in aanmerking, omdat de vreemdeling dit rapport in redelijkheid heeft kunnen laten opstellen om zijn asielrelaas te staven. De vreemdeling heeft drie littekens toegeschreven aan elementen uit zijn asielrelaas die de staatssecretaris niet geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn littekens door het iMMO te laten onderzoeken.
Volgens het iMMO-rapport heeft het onderzoek vier uur geduurd, wat de Afdeling niet onaannemelijk acht, en waren bij het onderzoek twee artsen en een GZ-psycholoog betrokken. De Afdeling hanteert een forfaitair bedrag van € 121,95 en € 93,60 per uur voor respectievelijk artsen en psychologen. Zij zal de kosten voor het iMMO-rapport daarom vaststellen op € 1.350,00, vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
5. Nu de staatssecretaris met het besluit van 16 november 2017 de vreemdeling tegemoet is gekomen, dient hij op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.851,00 (zegge: achttienhonderdeenenvijftig euro), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 1.350,00 kosten van deskundigen betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.
w.g. Verheij w.g. Groeneweg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018
32-862.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2026:5419 Raad van State, 11 september 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2026:5058 Raad van State, 27 augustus 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2026:1187 Raad van State, 4 maart 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:6446 Raad van State, 24 december 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27233 Rechtbank Den Haag, 19 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:4968 Raad van State, 17 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:4961 Raad van State, 15 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:4672 Raad van State, 1 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:2290 Raad van State, 21 mei 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:1828 Raad van State, 23 april 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:1215 Raad van State, 19 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:932 Raad van State, 7 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:5204 Raad van State, 17 december 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:5480 Raad van State, 26 november 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:4013 Raad van State, 4 oktober 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:304 Raad van State, 26 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6923 Rechtbank Den Haag, 10 januari 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:3757 Raad van State, 11 oktober 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:2957 Raad van State, 2 augustus 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:1301 Raad van State, 3 april 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:996 Raad van State, 16 maart 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:598 Raad van State, 15 februari 2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15592 Rechtbank Den Haag, 9 november 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:1253 Raad van State, 7 mei 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:1872 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 april 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2020:2140 Raad van State, 9 september 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14377 Rechtbank Den Haag, 26 augustus 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2020:1855 Raad van State, 5 augustus 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3818 Rechtbank Den Haag, 3 april 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2019:1394 Raad van State, 29 april 2019 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2019:1084 Raad van State, 8 april 2019 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.