Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 7 december 2017
ECLI:NL:RVS:2017:3385Zaaknummer 201608975/1/V1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 7 december 2017
- Publicatiedatum
- 13 december 2017
- Zaaknummer
- 201608975/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 november 2016 in zaak nr. 16/15901;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Paaschen, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Paaschen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2017
766.
Volledige tekst
201608975/1/V1.
Datum uitspraak: 7 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 november 2016 in zaak nr. 16/15901 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 1 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin is vermeld dat de nationaliteit van de vreemdeling onbekend is en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Bij besluit van 21 juni 2016 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De vreemdeling is tegen het besluit opgekomen voor zover de staatssecretaris daarin heeft vermeld dat zijn nationaliteit onbekend is. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij Palestijn is, zodat in het besluit had moeten worden vermeld dat hij staatloos is. Het belang bij de beoordeling van zijn beroep is volgens de vreemdeling erin gelegen dat hij, zoals volgt uit artikel 8, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, als staatloze eerder in aanmerking komt voor naturalisatie.
De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling als staatloos Palestijn in een gunstiger rechtspositie komt te verkeren, zodat de vreemdeling procesbelang heeft. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling staatloos Palestijn is, zodat de vreemdeling in het besluit had moeten worden aangemerkt als 'staatloos'.
2. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling belang heeft bij de beoordeling van het door hem ingestelde beroep. De minister voert daartoe aan dat de verlening van de verblijfsvergunning er niet toe strekt om de gegevens van de vreemdeling in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) te wijzigen en dat de vaststelling van staatloosheid niet binnen de asielprocedure wordt verricht. Voor de vreemdeling staat, indien hij zijn gegevens in de BRP wil wijzigen, een andere rechtsingang open, aldus de staatssecretaris.
2.1. Artikel 2.17 van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet BRP) luidt: "Bij de inschrijving van een vreemdeling op grond van artikel 2.4, worden gegevens inzake de geboortedatum en de nationaliteit die niet als zodanig kunnen worden opgenomen overeenkomstig de artikelen 2.8 en 2.15, ontleend aan een mededeling daarover van Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover deze gegevens door hem zijn vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland."
2.2. De aanvraag van de vreemdeling strekt tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag heeft de staatssecretaris ingewilligd. De staatssecretaris is, zolang dit niet noodzakelijk is voor zijn beslissing, niet verplicht om in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast te stellen of een vreemdeling staatloos is.
De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit artikel 2.17 van de Wet BRP volgt dat hij in het besluit had moeten vermelden dat de vreemdeling staatloos Palestijn is. Een mededeling door de staatssecretaris in de zin van artikel 2.17 van de Wet BRP vindt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders plaats binnen de BRP-procedure. Deze procedure is thans niet aan de orde.
Derhalve betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling geen rechtens te respecteren belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 november 2016 in zaak nr. 16/15901;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Paaschen, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Paaschen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2017
766.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2025:3539 Raad van State, 30 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:3337 Raad van State, 21 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3948 Rechtbank Den Haag, 5 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23098 Rechtbank Den Haag, 18 juli 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:4384 Raad van State, 28 november 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2022:2898 Raad van State, 10 oktober 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6267 Rechtbank Den Haag, 20 juni 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1331 Rechtbank Den Haag, 11 februari 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16460 Rechtbank Den Haag, 27 augustus 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:1878 Raad van State, 24 augustus 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:1921 Rechtbank Den Haag, 23 februari 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8607 Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2019 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.