Uitspraak · Omgevingsrecht
Raad van State, 12 maart 2008
ECLI:NL:RVS:2008:BC6406Zaaknummer 200704378/1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 12 maart 2008
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200704378/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) Aeson Zorgconcepten (hierna: Aeson) te Markelo vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 8 appartementen op het perceel Lintelerweg 5 te Goor.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008
202.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
200704378/1.
Datum uitspraak: 12 maart 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend namens het Comité Behoud Havezathe Heeckeren, wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/82 van de rechtbank Almelo
van 22 mei 2007 in het geding tussen:
Comité Behoud Havezathe Heeckeren
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) Aeson Zorgconcepten (hierna: Aeson) te Markelo vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 8 appartementen op het perceel Lintelerweg 5 te Goor.
Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het door [appellant], handelend namens het Comité behoud Havezathe Heeckeren (hierna: [appellant]), daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 23 augustus 2007 en 1 oktober 2007 heeft G.J.H. Goorhuis namens Aeson een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door M.G.B. Kamst, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Aeson heeft zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het Comité een informele vereniging en derhalve een rechtspersoon is, zodat het als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb dient te worden aangemerkt.
2.3. Dat betoog faalt. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het Comité niet kan worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek, nu het Comité niet voldoet aan de cumulatieve vereisten, dat:
1) er een ledenbestand moet zijn;
2) het om een organisatorisch verband moet gaan dat is opgericht voor een bepaald doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht;
3) de organisatie als een eenheid dient deel te nemen aan het rechtsverkeer.
Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank voor het antwoord op de vraag of sprake is van een ledenbestand terecht onderzocht of het Comité beschikt over een ledenadministratie en contributie heft. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. In dat verband wordt nog overwogen dat [appellant] geen ledenlijst van het Comité heeft overgelegd, maar een lijst van personen die het Comité ondersteunen.
Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd biedt evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
2.4. De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat het Comité niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008
202.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2026:495 Raad van State, 28 januari 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:3197 Raad van State, 16 juli 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:4487 Raad van State, 6 november 2024 (omgevingsrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:3413 Raad van State, 21 augustus 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:3034 Raad van State, 31 juli 2024 (omgevingsrecht)
- ECLI:NL:RVS:2024:928 Raad van State, 6 maart 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2022:3914 Raad van State, 21 december 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2021:2762 Raad van State, 8 december 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:5296 Rechtbank Amsterdam, 17 september 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RVS:2020:2053 Raad van State, 26 augustus 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2020:602 Raad van State, 26 februari 2020 (omgevingsrecht)
- ECLI:NL:RVS:2019:3094 Raad van State, 11 september 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2018:3117 Centrale Raad van Beroep, 3 oktober 2018 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RVS:2018:2858 Raad van State, 29 augustus 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2018:1838 Raad van State, 6 juni 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2018:1466 Raad van State, 2 mei 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2018:225 Raad van State, 24 januari 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2016:15134 Rechtbank Den Haag, 8 december 2016 (omgevingsrecht)
- ECLI:NL:RVS:2016:3099 Raad van State, 23 november 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2016:2483 Raad van State, 14 september 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2016:4639 Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2016:4299 Rechtbank Amsterdam, 5 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2016:1646 Raad van State, 15 juni 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2015:8078 Rechtbank Limburg, 25 september 2015 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2014:5628 Rechtbank Rotterdam, 9 juli 2014 (bestuursrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.