Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:9952Zaaknummer BRE 26/2721

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 26/2721
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering woningbouwplan dat toch anders uitgevoerd gaat worden. Beroep ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 13 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep
  8. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2721

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres

( [eiseres])

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het gefaseerd bouwen van acht woningen op een terrein in [plaats 2] (gemeente Oisterwijk). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt onder meer aan de hand van de beroepsgronden of het college de aangevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Daarnaast heeft eiseres verzocht om vergoeding van de schade als gevolg van een onrechtmatig besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Haar verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.2.

Eiseres heeft op 18 december 2023 een aanvraag ingediend voor het gefaseerd bouwen van acht woningen op een bedrijventerrein in [plaats 2] (gemeente Oisterwijk) op de percelen Gemeente Oisterwijk, [sectie], nummers [nummer 1] en [nummer 2] (het terrein). Op 4 juli 2024 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd waarin het college aangaf voornemens te zijn om de aanvraag te weigeren. Het college heeft de aanvraag geweigerd met het besluit van 26 november 2024. Tegen dit besluit stond rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter omdat de aanvraag is behandeld op basis van de openbare voorbereidingsprocedure van paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dat bestreden besluit. Op 26 augustus 2025 is dat beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft de weigering vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.[_3425ec08-da23-4688-8cd2-6d3b8c063472]

1.4.

Op 9 maart 2026 heeft het college opnieuw op de aanvraag besloten en de vergunning nogmaals geweigerd.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [eiseres] namens eiseres en [vertegenwoordiger college] namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

2. Eiseres is eigenaar van een voormalig bedrijventerrein in [plaats 2]. Het terrein maakt onderdeel uit van een gebied waarover eiseres samen met een andere ontwikkelaar in gesprek was met de gemeente Oisterwijk om in totaal 84 nieuwe woningen te realiseren. Op het deel van het gebied van eiseres was het de bedoeling om zeven woningen te realiseren. Volgens het geldende bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ is wonen ter plaatse niet toegestaan en daarom heeft eiseres in samenwerking met de andere ontwikkelaar een concept ontwerpbestemmingsplan laten opstellen genaamd ‘ [ontwerpbestemmingsplan] ’. Uiteindelijk is de procedure voor dit bestemmingsplan voor die 84 woningen niet voltooid. Het college heeft dit bestemmingsplan nooit voor vaststelling aangeboden bij de gemeenteraad.

2.1.

Op 18 december 2023 heeft eiseres de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om af te wijken van het bestemmingsplan voor het gefaseerd bouwen van acht woningen op het terrein. Voor deze aanvraag heeft eiseres haar gedeelte van het hiervoor genoemde bestemmingsplan losgeknipt en vervolgens het bouwplan aangepast. Niet alleen de verkaveling is anders in de nieuwe aanvraag, maar ook de woningtypes verschillen met dat bestemmingsplan. Volgens de verbeelding bij het bestemmingsplan zouden op het terrein van eiseres namelijk in totaal zeven woningen worden gerealiseerd, waarvan zes tussenwoningen en één vrijstaande woning. Uit de tekeningen bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning blijkt dat voor acht woningen een omgevingsvergunning wordt gevraagd.

Het bestreden besluit

3. Op 9 maart 2026 heeft het college nogmaals besloten om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren (het bestreden besluit). Het college wil niet afwijken van het bestemmingsplan en heeft de aanvraag afgewezen omdat het plan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig perspectief ongewenst is.

Toetsingskader

4. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op grond van de Wabo. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als vóór de inwerkingtreding van de Ow een aanvraag om een besluit is ingediend, dan blijft op grond van artikel 4.3 van de Iw Ow het oude recht van toepassing. De aanvraag is ingediend op 18 december 2023. Dit betekent dat de Wabo van toepassing is.

4.1.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Het terrein ligt in het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (bestemmingsplan) en heeft de bestemming ‘Bedrijf’.[_4e353aa1-18b3-43c9-a1d2-4454b516f831] Volgens artikel 5.1 van het bestemmingsplan is wonen ter plaatse niet toegestaan.

4.2.

De gevraagde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.[_0e0fc626-bd7d-4746-a9b9-978d6b659c43]

4.3.

Op grond van artikel 3.1a van de Wabo kan het bevoegd gezag zich bij het verlenen van een omgevingsvergunning in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.

4.4.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Vervolg op de voorgaande procedure

5. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 augustus 2025 al van een aantal beroepsgronden geoordeeld dat die niet slagen. Onder andere is vastgesteld dat de woningen in strijd zijn met de bestemming ‘Bedrijf’ en ook is niet in geschil dat een omgevingsvergunning nodig is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De rechtbank gaat daar in deze uitspraak vanuit.

5.1.

Het college heeft in het bestreden besluit uitsluitend aangegeven dat het aangevraagde plan niet past in de bestaande ruimtelijke structuur en in het opgestelde bestemmingsplan voor het plan met 84 woningen. Het college vindt dit voldoende om de vergunning te weigeren. Het is daarom niet ingegaan op de door de rechtbank bij uitspraak van 22 augustus 2025 overige geconstateerde motiveringsgebreken.

5.2.

De rechtbank kan in deze uitspraak uitsluitend beoordelen of het college in redelijkheid op basis van de gegeven motivering de vergunning kon weigeren op grond van de stelling dat de woningen niet in de bestaande ruimtelijke structuur passen.

Wat is aangevraagd?

6. Eiseres stelt dat het college van de verkeerde plannen is uitgegaan. Het college had uit moeten gaan van de stedenbouwkundige opzet zoals die bij de aanvraag is gedaan met twee blokken van drie woningen en één van twee woningen en niet van een tussentijds ingediende tekening met drie blokjes van twee woningen en twee vrijstaande woningen. Het bouwen van drie blokjes van twee woningen en twee vrijstaande woningen is niet meer aan de orde.

6.1.

Het college stelt dat het de plannen heeft beoordeeld op grond van de aanvraag. Dat wil zeggen dat het is uitgegaan van drie blokjes van twee woningen en twee vrijstaande woningen. De gemachtigde van eiseres heeft deze tekeningen met onderbouwing aangeleverd.

6.2.

De rechtbank constateert dat in de oorspronkelijke ruimtelijke onderbouwing en de bouwtekeningen is uitgegaan van drie tweekappers en twee vrijstaande woningen. De rechtbank is daar bij de beoordeling van de voorgaande zaak over dezelfde aanvraag ook van uitgegaan. In de stukken blijkt niet van een gewijzigde aanvraag. Uit een mail-wisseling tussen eiseres en het college blijkt dat het college heeft aangegeven uit te gaan van drie tweekappers en twee vrijstaande woningen.

Ter zitting heeft eiseres aangegeven inmiddels wel een nieuw plan voor twee rijtjes van drie woningen en een tweekapper te hebben ingediend.

Wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening?

7. Eiseres stelt niet dat het afgewezen plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Zij wil dit plan niet meer realiseren en heeft een alternatief plan ingediend. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat een bouwplan ter beoordeling voorligt dat geen van de partijen nog wil realiseren. Het plan dat eiseres wel wilt realiseren wijkt zover af van het afgewezen plan dat het college dit niet als wijziging op de aanvraag wil realiseren. De rechtbank is van oordeel dat dat niet onredelijk is. De planopzet wijzigt immers wezenlijk. Kennelijk is ook eiseres van oordeel dat de planopzet zoals die oorspronkelijk was ingediend niet passend is op de locatie en heeft zij daarop de planopzet aangepast. Daarmee is feitelijk niet meer in geschil dat het college het plan, dat ook eiseres niet meer op deze wijze wil realiseren, mocht weigeren omdat het niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

Schadevergoeding

8. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding van 8% van de investering van € 1.200.000,- vanaf een half jaar na de termijn van indienen.

8.1.

Het college stelt dat het schadeverzoek niet via de juiste procedure is ingediend. Dat had via artikel 8:88 van de Awb gekund. Bovendien is het verzoek geheel niet onderbouwd.

8.2.

De rechtbank vat het verzoek om toekenning van een schadevergoeding op als een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Nu het beroep van eiseres ongegrond zal worden verklaard, en het bestreden besluit niet als onrechtmatig wordt beoordeeld is er ook geen grond meer om de schade toe te kennen wegens een onrechtmatig besluit. De rechtbank tekent daarbij aan dat het verzoek om schadevergoeding ook onvoldoende onderbouwd is.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Niet meer staat ter discussie dat het plan zoals dat voor ligt niet past in een goede ruimtelijke ordening. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

9.1.

Omdat het beroep ongegrond is, is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 13 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

Voetnoten

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5912.
  2. Artikel 5 van het bestemmingsplan.
  3. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.