Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9945Zaaknummer 12342265 VV EXPL 26-84 (E)
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12342265 VV EXPL 26-84 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Tilburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vordering tot nakoming van een tussen partijen overeengekomen drankenafnamebeding en betaling van contracutele boetes. Vordering wordt afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang. Ook leent het geschil zich niet voor beslechting in kort geding.
6 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van AB InBev af;
veroordeelt AB InBev in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als AB InBev niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt AB InBev tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12342265 \ VV EXPL 26-84
Vonnis in kort geding van 9 oktober 2026
in de zaak van
INBEV NEDERLAND N.V.,
te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: AB InBev,
gemachtigde: mr. E.P.W. Korevaar,
tegen
LE CLOCHARD TILBURG B.V.,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Le Clochard,
gemachtigde: mr. R.G. Meester.
1 De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of Le Clochard moet worden veroordeeld tot nakoming van een tussen partijen overeengekomen drankenafnamebeding en betaling van contractuele boetes. De kantonrechter wijst de vorderingen van AB InBev af, omdat onvoldoende is gebleken dat AB InBev een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen heeft. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat de vorderingen in een bodemprocedure hoogst waarschijnlijk zullen worden toegewezen, zodat de vorderingen ook om deze reden niet toewijsbaar zijn. De kantonrechter licht dit oordeel hierna toe.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- de mondelinge behandeling van 25 september 2026;- de spreekaantekeningen van Le Clochard;
- de spreekaantekeningen van AB InBev met producties.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
Le Clochard huurt met ingang van 1 januari 2009 van AB InBev de onroerende zaak, zijnde een horecabedrijfsruimte met woning, staande en gelegen aan [adres] (hierna: het gehuurde). Le Clochard is een feestcafé. Partijen zijn in artikel 9 van de huurovereenkomst een drankenafnamebeding overeengekomen.
Partijen hebben op 21 mei 2014 een hernieuwde drankenleveringsovereenkomst gesloten. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van AB InBev van toepassing verklaard.
AB InBev heeft op 6 september 2016 met Le Clochard een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen -voor zover van belang- het volgende overeengekomen:
“1. Ter beëindiging en/of voorkoming van onzekerheid en/of geschil stellen partijen vast dat Le Clochard Tilburg in ieder geval vanaf 14 juni 2016 voortdurend heeft gehandeld in strijd met het Afnamebeding (..), zodat AB InBev op grond van artikel 1.4 lid 6 van de Algemene Voorwaarden de contractuele boete heeft gevorderd van Le Clochard Tilburg ad € 17.700,-
2. Le Clochard Tilburg zal direct na ondertekening van deze overeenkomst het Afnamebeding en alle overige verplichtingen jegens AB InBev stipt nakomen en blijven nakomen. In afwijking van het Afnamebeding is het Le Clochard Tilburg toegestaan om moeselwijnen en gedestilleerde dranken in het Bedrijfspand te verkopen of aan te bieden of ter plaatste in voorraad te houden die niet door AB InBev zijn geleverd.
3. De in artikel 1 van deze overeenkomst omschreven contractuele boete die Le Clochard Tilburg aan AB InBev is verbeurd, is niet opeisbaar zolang Le Clochard Tilburg voldoet aan al haar verplichtingen zoals omschreven in artikel 2 van deze overeenkomst.”
Partijen hebben met ingang van 1 januari 2018 opnieuw een drankenleveringsovereenkomst gesloten. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van AB InBev van toepassing verklaard. In de overeenkomst is ten aanzien van het drankenafnamebeding het volgende overeengekomen: “Het drankafnamebeding in artikel 1.4 en het in artikel 1.5 van de Algemene Voorwaarden bepaalde vervangt het drankafnamebeding in de tussen u en AB InBev gesloten huurovereenkomst.”.
In artikel 1.4 van de algemene voorwaarden is -voor zover van belang- het volgende bepaald:
“1. U verklaart geen enkel beding inzake drankafname te hebben gesloten met anderen dan met ons.
2. Tenzij wij andere afspraken met u hebben gemaakt, verbindt u zich jegens ons om gedurende vijf jaar (..) uw bedrijf als horecabedrijf te exploiteren en in het Bedrijfspand uitsluitend de soorten bieren en andere dranken, die zijn vermeld op onze drankenlijst en die door ons of een door ons aangewezen leverancier aan u zijn geleverd, te verkopen of aan te bieden of ter plaatse in voorraad te houden (..).
3. De in lid 2 van dit artikel genoemde termijn van vijf jaar is niet van toepassing indien u van ons het Bedrijfspand huurt. In dat geval is de duur van de drankafnameverplichting onlosmakelijk verbonden aan de duur van de huurovereenkomst.
(..)
6. Bij overtreding door u van (een van) de bepalingen uit dit artikel verbeurt u aan ons een direct opeisbare boete van EUR 10.000,- (..) per geval, alsmede een direct opeisbare boete van EUR 100,- (..) voor elke dag, of een gedeelte van een dag, dat u in overtreding bent.”
In navolging van de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken zijn moezelwijnen en gedestilleerde dranken van het afnamebeding uitgezonderd.
Le Clochard neemt het speciaalbier en de overige dranken (frisdranken) vanaf 2020/2021 niet meer bij AB InBev af, maar bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). AB InBev was hier bekend mee.
De heer [persoon 1], die als accountmanager voor AB InBev werkzaam was (hierna: [persoon 1] ), heeft op 29 februari 2024 via Whatsapp onder meer het volgende aan de heer [persoon 2] (bedrijfsleider bij Le Clochard, hierna: [persoon 2]) bericht:
“(..) er zijn wat dingen veranderd bij InBev. Uiteindelijk zal er voor jou niets veranderen.(..) Ik ga ook Indirecte distributie doen. Wat betekend dat leveringen via [bedrijf] helemaal prima is. en de gunstige inkoopprijzen op jullie fris, gedestilleerd etc. blijven hetzelfde en geleverd door [bedrijf].”.
Op 24 november 2024 is in het gehuurde brand ontstaan als gevolg waarvan Le Clochard langere tijd gesloten is gebleven en gedurende ongeveer 18 maanden niet regulier is geëxploiteerd.
AB InBev heeft Le Clochard op 28 februari 2025 aangesproken op overtreding van het drankenafnamebeding met carnaval. AB InBev heeft Le Clochard vervolgens per e-mail van 9 april 2025 gewaarschuwd om het drankenafnamebeding stipt na te komen. Le Clochard heeft hierop bij brief van 28 mei 2025 gereageerd, waarbij, kort samengevat, is meegedeeld dat Le Clochard nog steeds dicht was, maar dat in samenwerking met de andere cafés op het plein tijdens carnaval wel drank buiten is verkocht die niet bij AB InBev is afgenomen.
De gemachtigde van AB InBev heeft per e-mailberichten van ruim een jaar later, te weten 12 mei 2026, 9 juli 2026 (in reactie op de e-mail van de gemachtigde van Le Clochard van 8 juli 2026), 14 juli 2026 en 17 juli 2026 (in reactie op de e-mail van de gemachtigde van Le Clochard van 16 juli 2026) aan de gemachtigde van Le Clochard bericht dat Le Clochard zich moet houden aan de in de leveringsovereenkomst genoemde afspraken.
De technische dienst van AB InBev heeft op 16 juli 2026 een biertapinstallatie in het gehuurde geplaatst. Op de biertapinstallatie zijn vaten kelderbier en speciaalbier aangesloten.
Le Clochard heeft haar deuren tijdelijk, dat wil zeggen in de periode van vrijdag 17 juli 2026 tot en met zondag 26 juli 2026, geopend in verband met de Tilburgse kermis. Daarna is Le Clochard dicht geweest totdat zij haar deuren vanaf 26 augustus 2026 weer definitief heeft geopend.
Le Clochard heeft steeds het kelderbier (tankbier) bij AB InBev afgenomen. Ook neemt zij op dit moment bij AB InBev het kelderbier af.
4 Het geschil
AB InBev vordert -samengevat- Le Clochard te veroordelen tot nakoming van het drankenafnamebeding, onder verbeurte van een dwangsom en contractuele boete en Le Clochard te veroordelen tot betaling van € 17.700,- vanwege schending van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst uit 2016 en € 10.000,- vanwege schending van het drankenafnamebeding vanaf 17 juli 2026, vermeerderd met kosten.
AB InBev legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. Le Clochard is, ondanks diverse waarschuwingen vooraf, het tussen partijen overeengekomen drankenafnamebeding niet nagekomen door tijdens de Tilburgse kermis in 2026 bieren en dranken te schenken en in voorraad te hebben die niet door AB InBev zijn geleverd.
AB InBev stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening strekkende tot nakoming van het drankenafnamebeding. AB InBev stelt hiertoe dat er door Le Clochard een substantiële hoeveelheid bier wordt afgenomen (in 2022: ruim 120 hectoliter bier, in 2023: 195 hectoliter bier en in 2024 (tot de brand van 24 november 2024: ruim 100 hectoliter bier) en het gebruikelijk is dat tegenover iedere liter verkocht bier circa één liter overige dranken (wijn, sterk, frisdrank) staat. Naar de kantonrechter begrijpt bedoelt AB InBev hiermee te stellen dat zij een flinke omzet aan overige dranken misloopt nu Le Clochard deze niet bij haar afneemt. Ook stelt AB InBev dat zij recent meer dan € 20.000,- heeft geïnvesteerd door in het gehuurde een biertapinstallatie te plaatsen. AB InBev stelt ten slotte dat de vordering tot betaling van de contractuele boetes nevenvorderingen zijn en hierop ook in kort geding kan worden beslist.
Le Clochard voert verweer. Le Clochard concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van AB InBev, met veroordeling van AB InBev in de kosten van deze procedure.
Le Clochard betwist in de eerste plaats dat AB InBev een spoedeisend belang bij de door haar verzochte voorzieningen heeft. Le Clochard voert hiervoor het volgende aan. Het door AB InBev genoemde omzetbelang bestaat al gedurende de gehele contractuele relatie. De langdurige voorgeschiedenis en daarmee ook de wetenschap bij AB InBev dat de dranken bij [bedrijf] werden afgenomen verdraagt zich ook niet met de noodzaak van een beslissing in kort geding. Le Clochard is bovendien een feestcafé, waarbij het overgrote deel van de omzet wordt behaald met het kelderbier dat bij AB InBev wordt afgenomen. AB InBev heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door de handelwijze van Le Clochard zodanige schade lijdt dat een onmiddellijke voorziening, zijnde een bevel tot nakoming van het drankenafnamebeding op verbeurte van een dwangsom, noodzakelijk is. Bovendien is gesteld noch gebleken dat er een concrete noodzaak is voor onmiddellijke betaling door Le Clochard van de gevorderde (dwang)sommen, zeker niet voor een geschil van tien jaar geleden. Voor de geldvorderingen geldt voorts ook dat AB InBev geen feiten heeft gesteld, waaruit volgt dat AB InBev de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten. Ook betwist Le Clochard de grondslag en de omvang van de vorderingen van AB InBev, waarvoor nader feitenonderzoek noodzakelijk is, wat zich niet leent voor een kort geding.
Ten aanzien van nakoming van het overeengekomen drankenafnamebeding voert Le Clochard -samengevat- het volgende aan. Le Clochard stelt dat vanaf 2020-2021 tussen partijen de afspraak geldt dat Le Clochard bij een andere leverancier ( [bedrijf]) frisdrank mag afnemen. Dat AB InBev akkoord was met indirecte levering via [bedrijf] volgt volgens Le Clochard ook uit de door haar overgelegde Whatsapp- correspondentie tussen [persoon 1] en [persoon 2]. Voor wat betreft afname van speciaalbier stelt Le Clochard dat zij een feestcafé is en de consumptie van speciaalbier zeer beperkt is. Le Clochard erkent dat zij in het verleden wel eens bij een andere leverancier speciaalbier heeft besteld, maar dat het speciaalbier toen alleen tijdens buitenevenementen geschonken is en het drankenafnamebeding niet voor buiten het feestcafé geldt. Eerst in juli 2026 is door AB InBev in het gehuurde een nieuwe biertapinstallatie geplaatst, waardoor het mogelijk is geworden om in het feestcafé speciaalbier te tappen. Le Clochard stelt dat zij op dat moment geen speciaalbier bij AB InBev heeft besteld, omdat het, ondanks de inspanningen van Le Clochard, voor AB InBev niet mogelijk bleek om tijdig, dat wil zeggen vóór de kermis in Tilburg, speciaalbier te leveren.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Toetsingskader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat AB InBev daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De gevraagde voorzieningen
AB InBev vordert op straffe van een dwangsom nakoming van het drankenafnamebeding. Ook vordert AB InBev een contractuele boete in verband met schending van de in 2016 gesloten vaststellingsovereenkomst en een contractuele boete in verband met schending van het drankenafnamebeding tijdens de Tilburgse Kermis in 2026.
De vorderingen zien, behoudens de contractuele boete in verband met schending van de in 2016 gesloten vaststellingsovereenkomst, op de overeenkomst die partijen in 2018 met elkaar hebben gesloten. De gemachtigde van AB InBev heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het drankenafnamebeding is geschonden, omdat er tijdens de kermis speciaal bier is geschonken dat niet rechtstreeks van AB InBev afkomstig is en Le Clochard ook overige dranken (frisdranken) bij een andere leverancier heeft betrokken.
Tussen partijen is in geschil welke afspraken tussen partijen gelden en of de gemaakte afspraken ook voor buitenevenementen gelden. AB InBev beroept zich op de drankenleveringsovereenkomst die partijen met ingang van 1 januari 2018 hebben gesloten, terwijl Le Clochard stelt dat die overeenkomst in 2020/2021 (feitelijk) is gewijzigd, wat in 2024 schriftelijk door AB InBev bevestigd is, en de gemaakte afspraken ook niet zien op buitenevenementen.
Spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen
De kantonrechter dient in de eerste plaats te beoordelen of AB InBev een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorzieningen heeft.
De kantonrechter oordeelt dat AB InBev het door haar gestelde spoedeisend belang, mede gelet op het door Le Clochard gevoerde verweer, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De kantonrechter zal de vorderingen van AB InBev daarom afwijzen. Daarbij komt dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vorderingen in een bodemprocedure hoogst waarschijnlijk zullen worden toegewezen, zodat de vorderingen ook om deze reden niet toewijsbaar zijn.
De kantonrechter zal dit oordeel hierna afzonderlijk voor speciaal bier, overige dranken (frisdrank) en de gevorderde contractuele boetes toelichten.
Speciaal bier
Le Clochard heeft ter zitting toegelicht dat zij tot op heden voor buitenevenementen het speciaalbier bij [bedrijf] heeft afgenomen en dat zij nauwelijks speciaalbier voor in het café heeft gekocht en op voorraad gehouden. Dat heeft er volgens Le Clochard mee te maken dat Le Clochard een feestcafé is en in het café hoofdzakelijk kelderbier wordt genuttigd. Eerst na de brand en de verbouwing van het pand heeft AB InBev op 16 juli 2026 in het café een biertapinstallatie voor speciaal bier aangelegd. Le Clochard heeft voor de start van de kermis in Tilburg speciaalbier bij [bedrijf] besteld. Le Clochard stelt dat zij als gevolg van zeer late berichtgeving van AB InBev op stel en sprong voor de volgende dag speciaalbier moest hebben, zodat dit bier (door AB InBev) op de biertapinstallatie kon worden aangesloten. Le Clochard heeft dit speciaalbier bij [bedrijf] besteld, omdat zij wist dat AB InBev dit bier niet tijdig, dat wil zeggen voor de start van de kermis in Tilburg, kon leveren. AB InBev betwist dat zij het speciaalbier niet tijdig aan Le Clochard kon leveren. AB InBev stelt dat zij door de handelwijze van Le Clochard omzetverlies heeft geleden en dat het gebruikelijk is dat tegenover iedere liter verkocht bier circa één liter overige dranken (wijn, sterk, frisdrank) staat. De kantonrechter overweegt dat AB InBev hiermee onvoldoende het spoedeisend belang van de door haar gevraagde voorziening aannemelijk heeft gemaakt. AB InBev heeft immers niet gesteld wat de verhouding is tussen één liter verkocht kelderbier en één liter speciaalbier en wat de omzetderving (ongeveer) is door de gestelde niet nakoming van de overeenkomst. Dat AB InBev recent meer dan € 20.000,- heeft geïnvesteerd in de biertapinstallatie in het gehuurde maakt ook niet dat zij een spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorziening heeft.
De kantonrechter is los van het voorgaande van oordeel dat de discussie tussen partijen over de vraag of AB InBev nog voor de kermis speciaal bier kon leveren zich niet leent voor een kort geding. Dit geldt ook voor de uitleg die moet worden gegeven aan de door Le Clochard overgelegde en in rechtsonderdeel 3.6 genoemde Whatsapp- correspondentie en de al dan niet tussen partijen bestaande afspraken met betrekking tot de afname van frisdranken en/of speciaalbier.
Overige dranken (frisdrank)
AB InBev stelt dat zij door de handelwijze van Le Clochard omzetverlies heeft geleden. Ook ten aanzien van de overige dranken (frisdrank) heeft AB InBev niet geconcretiseerd wat de omzetderving (ongeveer) is door de gestelde niet nakoming van de overeenkomst. Bovendien is ter zitting gebleken dat deze situatie zich al vijf jaar (vanaf 2021 tot heden) voordoet. Niet valt in te zien dat het gestelde omzetverlies zodanig is dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Contractuele boetes
AB InBev vordert betaling van een (totaal)bedrag van € 27.700,- aan contractuele boetes. De kantonrechter is van oordeel dat AB InBev ook hiervoor onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wat het spoedeisend belang bij de door haar verzochte voorziening is. Voor zover AB InBev stelt dat de spoedeisendheid samenhangt met
de voorziening strekkende tot nakoming van het drankenafnamebeding
overweegt de kantonrechter dat hiervoor is geoordeeld dat AB InBev het spoedeisend belang van die voorziening ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
De kantonrechter overweegt dat Le Clochard bovendien de omvang en de grondslag van de vordering gemotiveerd heeft weersproken, waardoor nader feitenonderzoek noodzakelijk is. Voor een dergelijk feitenonderzoek is in dit kort geding, gelet op de aard van de procedure, echter geen ruimte.
Conclusie
De slotsom luidt dan ook dat de vorderingen van AB InBev zullen worden afgewezen.
Proceskosten
AB InBev is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Le Clochard worden begroot op:
| - salaris gemachtigde | € | 865,00 | |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.009,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van AB InBev af;
veroordeelt AB InBev in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als AB InBev niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt AB InBev tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.