Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9785Zaaknummer BRE 25/3123
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/3123
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting, ZMB, beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 9 oktober 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3123
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft op 19 mei 2025 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag).
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 28 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
3. De auto met kenteken [kenteken] stond op 7 mei 2025 omstreeks 17:08 uur geparkeerd aan de [straat] te Breda. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Belanghebbende stelt voor het voldoen van de parkeerbelasting voor het parkeren gebruik te hebben gemaakt van een geldige bezoekersregeling via de parkeerapp van de gemeente Breda. Belanghebbende stelt dat onvoldoende duidelijk is voor de gebruiker van de bezoekersregeling dat het parkeren aan de [straat] te Breda niet is toegestaan. Belanghebbende stelt dat door de gebrekkige voorlichting door de gemeente Breda hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat op die locatie mocht worden geparkeerd met gebruik van de bezoekersregeling. Voorts stelt belanghebbende dat de hoogte van de naheffingsaanslag op gespannen voet staat met het proportionaliteitsbeginsel en dat een waarschuwing of toelichting passender is in het onderhavige geval.
De heffingsambtenaar stelt dat de bezoekersregeling strikt gebiedsgebonden is. Volgens de heffingsambtenaar staat duidelijk op de website van de gemeente Breda waar wel en niet geparkeerd mag worden met de bezoekersregeling. Verder is dit volgens de heffingsambtenaar aangegeven in de toekenning van de bezoekersvergunning. De vergunninghouder die het bezoek kan aanmelden had volgens de heffingsambtenaar op de hoogte moeten en kunnen zijn van de gebiedsgebonden terreinen waar de bezoeker gebruik van kan maken. Volgens de heffingsambtenaar is de parkeerbelasting een objectieve belasting en is er geen wettelijke basis voor coulance of verlaging van de naheffingsaanslag. Van een schending van het proportionaliteitsbeginsel is volgens de heffingsambtenaar geen sprake.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank overweegt dat de kenbaarheid van de gebieden, waar met toepassing van de bezoekersregeling geparkeerd kan worden, volgt uit de informatie die bij het verlenen van de vergunning wordt verstrekt en de informatie die op de website van de gemeente Breda is gepubliceerd. Dat is door belanghebbende ook niet betwist. Het lag op de weg van belanghebbende om zich voorafgaand aan het parkeren ervan op de hoogte te stellen of aan de [straat] te Breda met deze specifieke bezoekersregeling kon worden geparkeerd. Dat heeft belanghebbende niet (voldoende) gedaan. Belanghebbende had dan kunnen zien dat met deze specifieke bezoekersregeling niet aan de Koningstaat te Breda geparkeerd kon worden. Van enig gerechtvaardigd vertrouwen kan dan ook geen sprake zijn. De rechtbank overweegt voorts dat de parkeerbelasting een objectieve belasting is afhankelijk van motieven als opzet of mate van schuld. Dat belanghebbende, zoals de rechtbank begrijpt, geen opzet had op het niet (op de juiste wijze) voldoen van parkeerbelasting maakt niet dat daarmee de belastingplicht tot het betalen van parkeerbelasting komt te vervallen. De kosten van de naheffingsaanslag bestaan naast de te weinig betaalde parkeerbelasting uit de kosten voor de verwerking en het opleggen van de naheffingsaanslag.[_6e94ad7c-9855-4470-a32c-eaf117a4e24b] Van een schending van het proportionaliteitsbeginsel is dan ook geen sprake.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep van belanghebbende ongegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 9 oktober 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.