Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9674Zaaknummer BRE 25/7
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/7
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
IB
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/7
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 november 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.346.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.727 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.816 en de belastingrentebeschikking verminderd tot € 2.635.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 15 juli 2026, maar hebben zich afgemeld voor deze zitting, Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag, zoals deze luidt na vermindering bij uitspraak op bezwaar, tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank de hoogte van het door belanghebbende uit België ontvangen inkomen en of belanghebbende recht heeft op een voorkoming van dubbele belasting voor (een deel van) dat inkomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat het door belanghebbende uit België ontvangen inkomen niet te hoog is vastgesteld en dat belanghebbende geen recht heeft op een voorkoming van dubbele belasting voor dat inkomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1954. Belanghebbende woonde in 2020 in Nederland en ontving uit België een pensioen van de Federale Pensioendienst (het pensioen) en een uitkering van KBC verzekeringen (de uitkering).
De inspecteur heeft een renseignement van de Federale Pensioendienst ontvangen waaruit blijkt dat belanghebbende in 2020 een brutobedrag van € 44.014 aan pensioen heeft ontvangen. Op het pensioen is geen (Belgische) belasting ingehouden.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 10.729, waarvan het pensioen € 970 bedraagt. Belanghebbende heeft in de aangifte verzocht om een voorkoming van dubbele belasting voor de uitkering ten bedrage van € 45.573. De uitkering heeft belanghebbende niet als inkomen in de aangifte opgenomen.
De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.346, waarvan het pensioen € 44.014 en de uitkering € 45.573 bedraagt. De inspecteur heeft geen voorkoming van dubbele belasting verleend.
Belanghebbende heeft in bezwaar de jaaropgave van KBC Verzekeringen verstrekt waaruit volgt dat hij in 2020 een uitkering van € 43.043,69 heeft ontvangen, waarop € 7.171,12 (16,5%) aan Belgische bedrijfsvoorheffing is ingehouden.
Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 96.816, waarvan het pensioen € 44.014 en de uitkering € 43.043 bedraagt. De inspecteur heeft aan belanghebbende geen voorkoming van dubbele belasting verleend.
Motivering
Vooraf
4. De beroepstermijn vangt aan op 16 november 2024 en eindigt op 27 december 2024. Het beroepschrift is volgens de poststempel op 27 december 2024 ter post bezorgd en op 2 januari 2025 (binnen 1 week) door de rechtbank ontvangen. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Inhoudelijk
Het belastingverdrag[_80cb2e28-e206-4ff1-9156-0a202013890b] tussen Nederland-België bepaalt als hoofdregel dat het heffingsrecht over een pensioenuitkering aan de woonstaat toekomt.[_ce854491-e369-4223-b200-c6d77235a85d] Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien het totale brutobedrag van de pensioenuitkeringen meer bedraagt dan € 25.000 én is voldaan aan de aanvullende voorwaarden die in het verdrag zijn opgenomen.[_6c259c46-b43b-4512-a4f2-dac071fb9447] Indien sprake is van een pensioen dat wordt ontvangen uit hoofde van een overheidsfunctie, geldt een afzonderlijke bepaling.[_72f121e1-589e-4ab8-9b59-3ce24621b83a]
Naar de rechtbank begrijpt, is tussen partijen niet in geschil dat Nederland naar nationaal recht en op grond van de hoofdregel in het verdrag mag en kan heffen over het pensioen[_2a66657a-ef2c-4322-9704-2269fb8abd33] en de uitkering[_806d5b59-bdb4-4925-8ebf-5d6037be485e]. De rechtbank acht dat juist. Dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor belasting in België of dat sprake is van een overheidspensioen is immers niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat in dit geval het heffingsrecht niet ook aan België toekomt.
Belanghebbende stelt dat het pensioen te hoog is vastgesteld, omdat de inspecteur ten onrechte is uitgegaan van het renseignement. Volgens belanghebbende heeft hij in 2020 slechts € 970,24 pensioen ontvangen en hij heeft bankafschriften bijgevoegd.
De rechtbank acht aannemelijk dat de gegevens in het renseignement juist zijn. Uit het renseignement volgt dat belanghebbende in 2020 € 44.014 aan pensioen heeft ontvangen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit hogere bedrag. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat uitgegaan moet worden van de loonfiches maar heeft geen loonfiches overgelegd. Het overleggen van een aantal bankafschriften is daarvoor eveneens onvoldoende.
Verder stelt belanghebbende dat rekening moet worden gehouden met de belasting, de bedrijfsvoorheffing van € 7.171, die al in België is betaald. De inspecteur is daarentegen van mening dat niet Nederland maar België een dubbele heffing moet opheffen door een voorkoming van dubbele belasting te verlenen.
Uit de Overeenkomst van 5 maart 2018 volgt dat beide landen zich bereid hebben verklaard om in het geval dat het heffingsrecht ook aan de bronstaat toekomt, het woonland voorkoming van dubbele belasting verleent.[_30471340-c3e6-4bb2-9433-c9f7b8d91c1b]
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen komt in dit geval de heffingsbevoegdheid over het pensioen en de uitkering uitsluitend toe aan het woonland Nederland. Het is daarom aan niet aan de Nederlandse Belastingdienst om voorkoming van dubbele belasting te verlenen.
Al het voorgaande betekent dat de aanslag, zoals deze luidt na vermindering bij uitspraak op bezwaar, niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
- Voluit: het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (het verdrag).
- Artikel 18, eerste lid, van het verdrag.
- Artikel 18, tweede lid, van het verdrag.
- Artikel 19, van het verdrag.
- Artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van het verdrag.
- Artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van het verdrag.
- Overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland met betrekking tot de toepassing van artikel 18 van het Verdrag, Staatscourant 2018, 17744.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.