Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9654Zaaknummer 25/6107
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/6107
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WIA-schatting, minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6107 WIA
uitspraak van 6 oktober 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] B.V. (eiser), in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene], uit [plaats] (betrokkene),
gemachtigde: mr. R. Joosen,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
Inleiding
1. In een besluit van 2 mei 2025 (primair besluit) heeft het UWV bepaald dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 13 januari 2025, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.
In een besluit van 23 oktober 2025 (bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van betrokkene tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft eiser (als bewindvoerder) in deze zaak aangemerkt als procespartij, maar betrokkene voert deze procedure zelf met goedkeuring van de bewindvoerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 september 2026. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door mr. N. Regragui.
Relevante feiten en omstandigheden
1. Betrokkene, geboren op [geboortedag] 1966, was werkzaam als lasser voor 37,25 uur per week. Hij meldde zich op 16 januari 2023 ziek vanuit een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Betrokkene heeft op 21 oktober 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Deze heeft geleid tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding.
Relevante regelgeving
2. In artikel 4, eerste lid, van de WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Ingevolge artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Het medisch onderzoek zoals verricht door het UWV
3. Het medisch onderzoek van het UWV dat ten grondslag ligt aan de bestreden besluitvorming is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV.
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier van betrokkene bestudeerd en hem gezien tijdens een spreekuur op 3 februari 2025, waarbij betrokkene lichamelijk en psychisch is onderzocht. De verzekeringsarts heeft ook kennisgenomen van informatie van [huisarts] van 24 juli 2023 en van een medisch telefoonrapport van [arts] van 23 oktober 2024. De verzekeringsarts heeft overwogen dat betrokkene wegens problemen al jaren onder controle is geweest bij verslavingskliniek Novadic-Kentron (NK), maar dat hij is uitgevallen in verband met een fractuur in zijn linkerenkel, waarvoor hij ook is behandeld. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat betrokkene problemen blijft houden met staan, lopen en tillen. Ook bij het lichamelijk onderzoek zijn beperkingen geconstateerd met betrekking tot deze enkel. Betrokkene krijgt medicatie van de huisarts en heeft om de vier tot vijf maanden contact met NK. De verzekeringsarts heeft daarom aanleiding gezien om beperkingen aan te nemen bij het lichamelijk functioneren en, als gevolg van medicijngebruik, bij werken op hoogte en met gevaarlijke machines. Volgens de richtlijnen van het Schattingsbesluit is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. In een aanvullend onderzoeksverslag van 28 maart 2025 heeft de verzekeringsarts overwogen dat betrokkene niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen, omdat uit röntgenfoto’s, waarvan de laatste dateert uit 2022, blijkt dat er een goede stand is van de fractuur. Verder geeft ook het gebruik van medicatie en middelen aanleiding om betrokkene beperkt te achten voor gevaarlijke werkomstandigheden en beroepsmatig vervoer, naast de andere gestelde beperkingen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van betrokkene vervat in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 februari 2025, geldig vanaf 12 januari 2025.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier van betrokkene bestudeerd en hem gesproken tijdens een telefonische hoorzitting op 16 oktober 2025. De verzekeringsarts b&b heeft geen lichamelijk of psychisch onderzoek verricht, maar wel kennisgenomen van een brief van de huisarts van betrokkene van 1 september 2025 en van brieven van NK van 3 april 2025 en 26 augustus 2025. De verzekeringsarts b&b heeft aanleiding gezien om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid enigszins te wijzigen. De verzekeringsarts b&b heeft aanvullende beperkingen aangenomen voor hoog handelingstempo, veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines of productiepieken, conflicthantering, contact met patiënten of hulpbehoevenden en sterk wisselende diensten. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b voor beroepsmatig vervoer vastgesteld dat gemotoriseerd vervoer niet mogelijk is. Ook heeft de verzekeringsarts b&b enkele lichamelijke beperkingen met betrekking tot de linkerenkel aanvullend verzwaard, mede vanuit preventief oogpunt. Het gaat daarbij om langdurig werken in koude omstandigheden, tillen en dragen tijdens het werk, lopen tijdens het werk, staan tijdens het werk, trappenlopen, knielen of hurken en geknield en/of gehurkt actief zijn. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b vastgesteld dat zware beschermende middelen niet mogelijk zijn wegens de status na crushletsel van de linkerenkel in 2020. Nachtdiensten zijn niet wenselijk, omdat enige energetische recuperatie voorstelbaar is gelet op de aard van de ervaren klachten. Verdere wijziging heeft de verzekeringsarts b&b medisch gezien niet nodig geacht. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat hiervoor geen objectiveerbare onderbouwing is gegeven. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b geoordeeld dat met de in bezwaar aangepaste belastbaarheid een logische samenhang bestaat tussen de aard, ernst en behandeling van de onderliggende medische aandoeningen of stoornissen, de onderzoeksbevindingen, de geduide beperkingen en het sociaal functioneren van betrokkene. Zware fysieke werkzaamheden zijn daarmee beperkt, mede gelet op de informatie van de verslavingskliniek. Ook wordt voorzien in voldoende lage energetische belasting, als rekening wordt gehouden met de reeds gestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid, waarbij in bezwaar aanvullend een beperking voor nachtdiensten is opgenomen. Betrokkene gebruikt daarbij op succesvolle wijze zijn slaapmedicatie. Daarmee bestaat geen indicatie om naast deze beperkingen nog een extra beperking op werktijden te stellen. De verzekeringsarts b&b heeft de gewijzigde belastbaarheid van betrokkene vastgelegd in een FML van 11 september 2025, geldig vanaf 12 januari 2025.
Was het medische onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig?
4. Betrokkene voert aan dat het onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig is geweest, omdat nadere medische informatie bij zijn behandelaars had moeten worden opgevraagd en vervolgonderzoek had moeten worden verricht. De rechtbank volgt dit niet. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat het dossier van betrokkene is bestudeerd, dat betrokkene op spreekuur is gezien en dat hij in bezwaar telefonisch is gehoord. Daarbij is informatie van de huisarts en van NK betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft daarnaast aanvullende informatie opgevraagd en beoordeeld, waarna de belastbaarheid is aangepast en gemotiveerd. In het aanvullend rapport van 20 januari 2026 (overgelegd in beroep) heeft de verzekeringsarts b&b bovendien toegelicht dat rekening is gehouden met de mentale, lichamelijke en energetische aspecten van het medisch feitencomplex, inclusief het preventieve aspect van de overbelasting en de verhoogde kans op artrose van de linkerenkel. Ook is gekeken naar de door betrokkene gestelde hulpvragen aan de huisarts rond de peildatum. Gelet hierop beschikten de verzekeringsartsen over voldoende inzicht in de medische situatie van betrokkene en hebben zij de klachten kenbaar in de beoordeling betrokken. Het UWV heeft ter zitting bovendien terecht erop gewezen dat eiser in beroep nog een brief van NK van 1 juni 2026 heeft overgelegd, en dat deze brief ook door de verzekeringsarts b&b is beoordeeld. In een aanvullend rapport van 19 juni 2026 is uiteengezet waarom die brief geen aanleiding geeft om de belastbaarheid anders vast te stellen. De rechtbank volgt betrokkene ook niet in zijn ter zitting aangevoerde stelling dat zijn slaapproblemen onvoldoende zijn onderkend. Uit de rapporten van de verzekeringsarts b&b blijkt juist dat deze klachten zijn onderkend, meegewogen en aanleiding hebben gegeven tot het aannemen van beperkingen.
Zijn de medische beperkingen van betrokkene onderschat?
5. Volgens betrokkene heeft het UWV zijn medische beperkingen onderschat. Uit de informatie van NK van 26 augustus 2025 blijkt dat hij jarenlang roofbouw op zijn lichaam heeft gepleegd en lichamelijk sterk is achteruitgegaan. De verzekeringsarts merkt weliswaar op dat deze achteruitgang niet nader is gespecificeerd, maar heeft daarover geen nadere informatie opgevraagd. Volgens betrokkene trekt de verzekeringsarts desondanks conclusies over zijn belastbaarheid zonder voldoende medische onderbouwing. Daarbij ontbreekt volgens hem een beoordeling van zijn recuperatiebehoefte en de noodzaak van een urenbeperking. Verder stelt betrokkene dat de FML zijn beperkingen onjuist weergeeft. Volgens hem heeft het UWV onvoldoende beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Zo ontbreken beperkingen ten aanzien van concentratie, aandacht verdelen, inzicht in eigen kunnen, doelmatig en zelfstandig handelen en handelingstempo. Dit sluit volgens betrokkene niet aan bij zijn dagverhaal en klachten. Daarnaast stelt betrokkene, onder verwijzing naar de informatie van NK en zijn dagverhaal, dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn fysieke klachten, waaronder hielklachten. Volgens betrokkene zijn onvoldoende beperkingen opgenomen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Hij acht zich onder meer sterker beperkt ten aanzien van reiken, buigen, tillen, dragen, lopen, traplopen, klimmen, knielen, hurken en staan. Ook had volgens betrokkene rekening moeten worden gehouden met zijn medicijngebruik en het feit dat hij niet op oneffen terrein kan werken. Verder voert betrokkene aan dat het UWV ten onrechte geen, of onvoldoende, urenbeperking heeft aangenomen. Volgens hem is onvoldoende rekening gehouden met zijn recuperatiebehoefte.
De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van 20 januari 2026 op het voorgaande gereageerd en stelt daarin dat het medisch beloop van de linkerenkel geen aanleiding geeft om meer fysieke beperkingen aan te nemen. Volgens de huisarts was sprake van een goede stand van de doorgemaakte enkelfractuur uit 2020. Hoewel betrokkene stelt dat zijn hielbeen was “verbrijzeld”, blijkt dit niet uit de informatie van de huisarts. Daarnaast dateert de meest recente röntgenfoto van 24 november 2022 en bestond nadien kennelijk geen medische indicatie voor aanvullend onderzoek wegens verslechtering of toegenomen klachten. De huisarts vermeldt bovendien geen nadere informatie over de periode rond 13 januari 2025. Verder heeft betrokkene tijdens het primaire spreekuur verklaard dat hij vanwege het gebruik van oxycodon niet op hoogte kan werken, maar wel andere laswerkzaamheden zou kunnen verrichten. Daarmee is rekening gehouden door beperkingen aan te nemen voor persoonlijk risico, beroepsmatig vervoer en werken op hoogte. Daarbij merkt de verzekeringsarts b&b op dat het forse oxycodongebruik mede kan worden verklaard vanuit betrokkenes verslavingsverleden en dat hiervoor geen hulpvraag aan de huisarts is gesteld. In bezwaar zijn reeds aanvullende en verzwaarde fysieke beperkingen aangenomen, onder meer ten aanzien van tillen, dragen, lopen, staan, traplopen, knielen en hurken, waarbij expliciet rekening is gehouden met het preventieve aspect en de kans op artrose. Voor cognitieve beperkingen ziet de verzekeringsarts b&b evenmin een medische indicatie. Betrokkene kon normaal deelnemen aan het gesprek tijdens het spreekuur en uit de overige onderzoeksbevindingen, waaronder het sociaal functioneren, blijkt geen aanleiding voor beperkingen ten aanzien van aandacht, concentratie, inzicht in eigen kunnen, doelmatig of zelfstandig handelen of handelingstempo. Ook uit de medische informatie volgen dergelijke beperkingen niet. Wel zijn in bezwaar aanvullende beperkingen aangenomen ten aanzien van stresserende factoren, waarmee volgens de verzekeringsarts b&b voldoende rekening is gehouden met de cognitieve belastbaarheid van betrokkene. De rechtbank acht deze nadere motivering steekhoudend, en ziet in wat betrokkene daartegen aanvoert geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
6. Betrokkene heeft bij aanvullend beroepschrift van 5 juni 2026 een brief van NK van 1 juni 2026 overgelegd. Daarin is onder meer opgenomen dat sinds 2002 bij betrokkene sprake is van een chronische opioïdenafhankelijkheid, waarvoor methadon wordt voorgeschreven ter vervanging van heroïne. Vanwege aanhoudende pijnklachten na een ongeval is later oxycodon toegevoegd en voor slaapproblemen flunitrazepam. De afhankelijkheid van deze middelen is stabiel maar waarschijnlijk blijvend, met een matig ernstige classificatie. Tegelijkertijd is door de jaren heen sprake van achteruitgang in gezondheid en psychisch welbevinden, met langdurige problemen op meerdere leefgebieden, waaronder financiële problemen.
De verzekeringsarts b&b heeft op de brief van NK van 1 juni 2026 gereageerd in het rapport van 19 juni 2026 en merkt daarbij ten eerste op dat de verslavingsarts hangende de beroepsprocedure met terugwerkende kracht een medische brief heeft opgesteld, wat de objectiviteit van de brief niet ten goede komt. Daarnaast bevat de brief feitelijke onjuistheden. Zo vermeldt de verslavingsarts dat betrokkenes “hiel verbrijzeld is”, terwijl dit niet blijkt uit de informatie van de huisarts. Verder herhaalt de verzekeringsarts b&b dat de meest recente röntgenfoto dateert van 24 november 2022 en dat zich daarna kennelijk geen medische indicatie heeft voorgedaan voor aanvullend beeldvormend onderzoek. De huisarts heeft bovendien aangegeven geen nadere informatie te hebben over de situatie op de peildatum. Verder vermeldt de verslavingsarts dat betrokkene vanwege zijn “verbrijzelde hiel” niet lang kan staan. De reden waarom betrokkene zijn eigen werk niet meer zou kunnen verrichten, was echter een andere, namelijk dat hij “niet op hoogte kan werken”. De brief van NK van 3 april 2025, die in bezwaar is opgevraagd, vermeldt dat sprake is van een lichte stoornis in het gebruik van een hypnoticum of anxiolyticum. Opvallend is dat de brief van 1 juni 2026 deze diagnose niet meer noemt en evenmin motiveert waarom deze is weggelaten. Er zijn geen medisch objectiveerbare stukken overgelegd die aanleiding geven voor een ander medisch beeld op de peildatum. De brief van 1 juni 2026 bevat verder een aanname over vermoedelijk ondergewicht. Dit betreft geen medisch objectiveerbaar vastgesteld feit dat betrekking heeft op de peildatum. Daarnaast is onduidelijk door wie en wanneer de genoemde diagnoses zijn gesteld. De brief verwijst slechts algemeen naar “(verslavings) artsen” en vermeldt geen data. De verslavingsarts schrijft verder dat zij “qua gezondheid en (psychisch) welbevinden door de jaren heen een duidelijke achteruitgang ziet”. Deze gestelde achteruitgang wordt echter niet medisch objectiveerbaar onderbouwd voor de datum in geding. Ook zijn geen aanvullende medische stukken overgelegd die deze achteruitgang op de datum in geding objectiveren. In aansluiting daarop noemt de verslavingsarts eerst niet-medische problemen, zoals financiële omstandigheden en de gezondheidsproblemen van betrokkenes echtgenote. Hoewel deze omstandigheden invoelbaar zijn, zijn zij vanuit verzekeringsgeneeskundig perspectief niet bepalend voor de vaststelling van de belastbaarheid. Daarnaast noemt de verslavingsarts vermoeidheids- en somberheidsklachten. Ook deze klachten worden niet onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens die zien op de datum in geding. Bovendien heeft betrokkene zich rond die datum hiervoor niet tot de huisarts gewend met een hulp- of behandelvraag of wegens een decompensatie. Dat bloedonderzoek nog moet plaatsvinden, wijst er bovendien op dat eerder kennelijk geen medische indicatie bestond voor dergelijk onderzoek, bijvoorbeeld naar aanleiding van een hulpvraag van betrokkene of een medisch objectiveerbare ernstige verslechtering. Er is dan ook geen sprake van een medisch vastgestelde aandoening van de lever of nieren die objectief kan worden gerelateerd aan de datum in geding. Tot slot merkt de verzekeringsarts b&b op dat de methadonbehandeling volgens de verslavingsarts stabiel is, zowel wat betreft het gebruik als de hulpvragen. Betrokkene gebruikt methadon al jarenlang en heeft daarmee ook gewerkt. Hetzelfde geldt voor de slaapmedicatie, die volgens betrokkene effectief is. Hij heeft zelf verklaard dat hij rond 21.00 uur zijn slaappil inneemt en omstreeks 21.30 uur “van de wereld af” is. Ook tijdens het gebruik van deze medicatie heeft betrokkene gewerkt. Desondanks gebruikte betrokkene in augustus 2025, ondanks de stabiel ingestelde methadonbehandeling, wekelijks heroïne. Dit is echter een omstandigheid die voor rekening en risico van betrokkene komt.
Naar het oordeel van de rechtbank is bovenstaande reactie op de nieuwe medische informatie steekhoudend. Zij ziet in wat betrokkene ter zitting heeft aangevoerd, waaronder zijn blote stelling dat zijn hiel wel degelijk verbrijzeld was, geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De rechtbank voegt daaraan toe dat de enkele omstandigheid dat de verzekerings-artsen de door betrokkene ervaren klachten anders hebben gewogen dan betrokkene zelf, niet betekent dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij betrokkene zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen. De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de medische beperkingen van betrokkene niet zijn onderschat. Zij wijst het verzoek om een onafhankelijke deskundige daarom af.
Het arbeidsdeskundig onderzoek door het UWV
7. Het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV is verricht door een arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep (b&b).
De arbeidsdeskundige heeft, rekening houdend met de FML van 6 februari 2025, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Huishoudelijk medewerker gebouwen (Sbc-code 111334), Kassamedewerker, caissière (Sbc-code 317030) en Inpakker (handmatig) (Sbc-code 111190). Op basis van deze functies concludeert de arbeidsdeskundige dat betrokkene op 13 januari 2025 7,96% arbeidsongeschikt was.
De arbeidsdeskundige b&b heeft, rekening houdend met de FML van 11 september 2025, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (Sbc-code 267041), Productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (Sbc-code 111180) en Assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (Sbc-code 267071). Op basis van deze functies concludeert de arbeidsdeskundige b&b dat betrokkene op 13 januari 2025 17,08% arbeidsongeschikt was.
Arbeidsdeskundige beroepsgronden
8. De stelling van betrokkene dat de door het UWV geduide functies niet passend zijn vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. In het voorgaande heeft de rechtbank al uiteengezet waarom deze opvatting niet wordt gevolgd.
Betrokkene betwist de juistheid van het vastgestelde maatmaninkomen en voert daarbij aan dat de gehanteerde referteperiode van 22 augustus 2022 tot 24 oktober 2022 niet representatief is, omdat deze te kort is en geen recht doet aan zijn ervaring en verdiencapaciteit als lasser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige b&b in diens aanvullende rapport van 20 januari 2026 steekhoudend toegelicht dat het maatmaninkomen correct is vastgesteld op grond van artikel 7a van het Schattingsbesluit. Op grond van het eerste lid wordt uitgegaan van het feitelijk verdiende loon in de maatgevende arbeid in het refertejaar. Betrokkene heeft in dat refertejaar daadwerkelijk als lasser gewerkt van 22 augustus 2022 tot en met 24 oktober 2022. Conform het tweede lid zijn alleen volledige aangiftetijdvakken representatief, zodat uitsluitend de maand september 2022 als volledig en representatief tijdvak kan worden aangemerkt. De rechtbank merkt daarbij op dat betrokkene niet heeft betwist dat deze maand representatief was (qua urenomvang) en ter zitting heeft betrokkene bovendien erkend dat geen sprake was van een afwijkend arbeidspatroon in die maand. Omdat in het refertejaar dus sprake was van maatgevende arbeid met maatgevende omvang, was er geen aanleiding om op grond van het derde lid een alternatieve referteperiode van maximaal één jaar te hanteren. Betrokkene heeft ter zitting gesteld dat hij zijn brutoloon altijd kunstmatig laag heeft gehouden en een groot deel van zijn loon heeft laten uitbetalen in de vorm van onkostenvergoedingen, om loonbeslag door de deurwaarder te voorkomen. Deze gestelde, maar niet onderbouwde, omstandigheid maakt niet dat sprake is van een uitzonderingssituatie op grond waarvan moet worden uitgegaan van een hoger maatmaninkomen op grond van het vierde of vijfde lid van artikel 7a van het Schattingsbesluit. De keuze van betrokkene om een lager brutoloon te aanvaarden ten gunste van een hogere onkostenvergoeding komt in het kader van deze WIA-beoordeling dan ook voor zijn eigen rekening en risico. De arbeidsdeskundige mocht derhalve uitgaan van het (in bezwaar licht gecorrigeerde) maatmanloon van € 17,21 per uur.
Conclusie
9. De rechtbank concludeert dat de door het UWV gehanteerde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Op basis van de inkomsten die hij met deze functies kon verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat betrokkene per 13 januari 2025 17,08% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Het UWV mocht daarom overgaan tot het weigeren van een WIA-uitkering met ingang van genoemde datum.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.