Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9648Zaaknummer BRE 26/2770
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/2770
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet. Beroep ongegrond. De burgemeester heeft voldoende gemotiveerd dat de sluiting noodzakelijk en evenwichtig is.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Opiumwet
Artikel 2
Het is verboden om een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
- binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
- te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
- aanwezig te hebben;
- te vervaardigen.
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
- een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
- een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
Cocaïne staat op lijst I.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid)
Woningen en/of bij woningen behorende erven worden gesloten in de volgende gevallen:
- harddrugs in woningen en/of op bij woningen behorende erven
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelshoeveelheid van > 0,5 gram, en/of (een) voorwerp(en) en/of stof(fen) als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, van de Opiumwet voorhanden is/zijn, is sprake van een ernstig geval en volgt bij een 1ste constatering een sluiting van 1 maand. (..)
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2770
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.E. Niemeijer),
en
de burgemeester van de gemeente Tilburg (de burgemeester), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Tiwos Tilburgse Woonstichting uit Tilburg (Tiwos)
(gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit tot sluiting van de woning aan [adres] in [plaats] voor een periode van een maand op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Eiser is het niet eens met de sluiting. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de woning op goede gronden heeft gesloten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de woning mocht sluiten. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft op 11 augustus 2025 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen over het aantreffen van verdovende middelen in de woning aan [adres] in [plaats].
Met de brief van 11 november 2025 heeft de burgemeester aan eiser haar voornemen kenbaar gemaakt om de woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor een periode van een maand. Eiser heeft geen zienswijze ingediend.
De burgemeester heeft met het besluit van 17 december 2025 (primair besluit) de woning met bijbehorend erf gesloten voor een periode van een maand met ingang van 19 januari 2026.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek in de uitspraak van 13 februari 2026 afgewezen.[_e0789db0-f7c9-47d2-9afd-22fb5faf12d0]De woning is gelet op de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening uiteindelijk met ingang van 23 februari 2026 gesloten.
Met het besluit van 12 maart 2026 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit) heeft de burgemeester de sluiting in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Tiwos heeft eveneens op het beroep gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, namens de burgemeester [persoon] en de vertegenwoordigers van Tiwos [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2], bijgestaan door hun gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eiser woont in de huurwoning aan [adres] in [plaats]. Hij huurt de woning van Tiwos. De politie heeft in de periode van 29 juli tot en met 8 augustus 2025 vier meldingen ontvangen via Meld Misdaad Anoniem over handel in verdovende middelen vanuit de woning en is vervolgens een onderzoek gestart. In het kader van dit onderzoek heeft de politie op 8 augustus 2025 de woning doorzocht. Daarbij zijn verdovende middelen aangetroffen. Uit de bestuurlijke rapportage van 11 augustus 2025 blijkt dat het volgende in de woning is aangetroffen:
- 32 gripzakjes met cocaïne;
- 3 pillendoosjes met cocaïne;
- een oranje pillendoosje met cocaïne;
- een bedrag van € 1.098,10 aan contant geld in kokers en enveloppen (aangetroffen in een kluis);
- een geldtelmachine;
- nieuwe, lege gripzakjes;
- klein model weegschaal;
- 3 mobiele telefoons;
- een briefje wat leek op een zogenaamd ‘schuldenbriefje’;
- 8 strips met 31 pillen Kamagra.
In totaal is 7,12 gram cocaïne (lijst I van de Opiumwet) aangetroffen.
4. De burgemeester heeft de woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet gesloten, omdat er onder meer 7,12 gram cocaïne in de woning is aangetroffen en daarmee de toegestane gebruikershoeveelheid is overschreden. Daarnaast zijn in de woning andere zaken aangetroffen die duiden op drugshandel.
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft eiser een procesbelang?
6. De rechtbank moet ambtshalve onderzoeken of eiser procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep. Eiser heeft in beginsel alleen procesbelang als hij het resultaat dat hij met het instellen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan bereiken en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben. In dit geval is de last onder bestuursdwang inmiddels uitgewerkt en kan de woning weer betreden worden.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan als wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Wel wordt dan vereist dat door de betrokkene tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.[_501e06ed-1ee9-4133-98f9-e8b958f0bc5e]
Volgens de burgemeester heeft eiser geen procesbelang meer en moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. De sluiting is geëffectueerd en de ontbinding van de huurovereenkomst door Tiwos staat los van de bestuursrechtelijke woningsluiting.
Eiser heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij nog steeds in de woning verblijft en dat zijn procesbelang is gelegen in het feit dat de uitkomst van de procedure van belang is voor de procedure over de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst met Tiwos.
Civielrechtelijk lopen er twee procedures die zien op de ontbinding van de huurovereenkomst tussen Tiwos en eiser. In die twee procedures is inmiddels vonnis gewezen en tegen beide is hoger beroep ingesteld. Het vonnis over de buitengerechtelijke ontbinding is gebaseerd op de bestuursrechtelijke sluiting van de woning. De rechtbank is het daarom met eiser eens dat eisers beroep invloed kan hebben op de uitkomst van de civielrechtelijke procedure in hoger beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een procesbelang heeft. Wat de burgemeester hiertegen heeft ingebracht, leidt daarom niet tot een andere conclusie.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
7. Eiser betwist dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Hij gebruikt sinds zijn been is geamputeerd cocaïne tegen de door hem ervaren fantoompijn. De aangetroffen 7,12 gram cocaïne was dan ook uitsluitend bestemd voor eigen gebruik. Het is een aanzienlijke hoeveelheid, maar dit moet worden bezien in de context van zijn leven. Eiser koopt als frequent gebruiker grotere hoeveelheden tegelijk omdat dit goedkoper is. De in de woning aanwezige attributen duiden volgens eiser niet op drugshandel. Het gaat om losse, niet met elkaar samenhangende voorwerpen die hij in zijn woning had. Omdat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetroffen drugs uitsluitend voor eigen gebruik waren, was de burgemeester niet bevoegd om de sluiting van de woning te gelasten.
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen (sluiting) als in een woning een middel als bedoeld in lijst I behorend bij de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs mag de burgemeester in beginsel aannemen dat het om handel gaat.[_69f77530-5ec1-4e3e-8f51-1f2afb27a756]
Als het om een geringe overschrijding van de grens van 0,5 g harddrugs gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden noemt die erop duiden dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik gaat, is er in beginsel geen overtreding en dus geen bevoegdheid om handhavend op te treden.[_5097112c-1147-405b-9b00-4fae4402b9a1] Deze situatie doet zich voor als de rechthebbende een helder, consistent en overtuigend betoog heeft waarom hier sprake is van eigen gebruik en er geen andere voorwerpen in de woning zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die daarop wijzen. Wanneer de burgemeester in een dergelijke situatie toch toepassing geeft aan artikel 13b van de Opiumwet, moet hij nader motiveren waarom hij van oordeel is dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. De feiten en omstandigheden die hij daarvoor van belang acht, moet hij ook aannemelijk maken.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bevoegdheid van de burgemeester uit van de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming. Het door de burgemeester ingediende proces-verbaal van bevindingen van de politie van 9 augustus 2026 en de toelichting van Tiwos over recente overlastmeldingen neemt de rechtbank dan ook niet mee in haar beoordeling, aangezien deze recente gebeurtenissen geen verband houden met de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten met ingang van 19 januari 2026 en de volledige heroverweging van dit besluit op 12 maart 2026.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 13 februari 2026 al heeft overwogen dat geen sprake is van een geringe overschrijding van de 0,5 gram-grens en dat het niet aannemelijk is dat de aangetroffen drugs enkel voor eigen gebruik bestemd was. De rechtbank twijfelt niet aan eisers stelling dat hij zelf cocaïne gebruikt om fantoompijn te bestrijden, maar dit maakt nog steeds dat de toegestane gebruikershoeveelheid ruim is overschreden en dat de cocaïne naast de aanwezigheid in vier pillendoosjes verdeeld was over 32 gripzakjes. In combinatie met de attributen die duiden op drugshandel en de (anonieme) meldingen over overlast en loop naar de woning, is de conclusie van de burgemeester dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking, gerechtvaardigd. De door eiser overgelegde verklaringen over korte bezoeken van vrienden bij de woning maken dit niet anders, aangezien bezoek van bekenden niet uitsluit dat eveneens sprake kan zijn van verkoop, aflevering of verstrekking van drugs vanuit de woning. Dit geldt ook voor zijn opmerking op de zitting dat er al vanuit vele andere locaties in dezelfde straat drugs gedeald wordt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in beroep verder geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd waardoor het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter over de bevoegdheid van de burgemeester niet gevolgd zou kunnen worden. Hiermee is de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank in beginsel dan ook bevoegd om de woning te sluiten.
Mag de burgemeester gebruik maken van haar bevoegdheid?
8. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij haar beslissing of en op welke wijze zij van die bevoegdheid gebruik maakt.
De burgemeester heeft hiervoor beleid vastgesteld: de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid, de beleidsregels). Daarin is bepaald dat indien in een woning harddrugs wordt aangetroffen met een handelshoeveelheid van meer dan 0,5 gram, bij de eerste constatering een sluiting voor een periode van één maand volgt.
Wanneer een burgemeester beleid heeft vastgesteld, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit.[_26385c4a-36b1-4624-8464-6293a299e458] De Afdeling heeft deze onderdelen in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 nader uiteengezet.[_239d3b77-bdae-4c69-81ba-4610d70ce6db]
Eiser voert aan dat de sluiting van de woning in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat de geschiktheid van de sluiting niet wordt betwist. De gronden beperken zich daarmee tot de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid.
Is de sluiting noodzakelijk?
Volgens eiser ontbrak de noodzaak tot sluiting, omdat er geen drugs in of vanuit de woning werden verhandeld. Er was evenmin sprake van drugsgerelateerde loop naar de woning. Eiser betwist dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk is gelegen. In deze wijk is de dichtstbijzijnde woning in 2022 gesloten. Dat is inmiddels al geruime tijd geleden. Het is eiser niet duidelijk waarom een waarschuwing of stopgesprek, niet toereikend zou zijn. Dit vormt een minder ingrijpend middel, waarmee het vermeende beoogde doel in dit geval had kunnen worden bereikt.
Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs.
Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit.
Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop zij tot sluiting overgaat.
De rechtbank volgt de voorzieningenrechter in het voorlopige oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom de sluiting van de woning noodzakelijk is. Er zijn een handelshoeveelheid harddrugs en attributen die duiden op handel in verdovende middelen aangetroffen in de woning, en meerdere buurtbewoners hebben aangegeven dat sprake is van overlast en aanloop naar de woning, Naar het oordeel van de rechtbank bevestigen deze meldingen dat de drugs niet alleen voor eigen gebruik is bestemd, maar dat deze ook feitelijk in of vanuit de woning werd verhandeld. Bovendien wijzen deze meldingen erop dat sprake is van gevoelens van onveiligheid in de omgeving. De rechtbank acht daarbij van belang dat meerdere overlastmeldingen zijn binnengekomen via Meld Misdaad Anoniem, wijkagenten en Tiwos. Hierdoor is eisers stelling dat het zou gaan om meldingen van één buurtbewoner niet aannemelijk.
De burgemeester heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom zij niet met een minder ingrijpend middel heeft kunnen volstaan. Het betreft maar liefst 14 keer de gebruikershoeveelheid harddrugs en er zijn in de woning contant geld, een geldtelmachine, nieuwe lege gripzakjes, een klein weegschaaltje, drie mobiele telefoons en een schuldenbriefje aangetroffen. Dit duidt er volgens de burgemeester op dat de woning een rol speelt binnen een keten van drugshandel, wat op zichzelf een belang oplevert bij sluiting. Eisers verklaringen voor de aanwezigheid van de attributen zijn volgens de burgemeester onaannemelijk. Van een zichtbare sluiting gaat een sterke signaalfunctie uit. Ook wordt voor drugsgebruikers en criminelen duidelijk dat in of bij de woning geen drugs aanwezig zijn en er dus niets meer te halen valt. Daardoor wordt de rust rondom de woning voor de omgeving hersteld. Aan buurtbewoners wordt het signaal afgegeven dat de overheid serieus omgaat met hun meldingen en hierop acteert. Ter zitting heeft de burgemeester benadrukt dat deze doelen met een minder zwaar middel zoals een last onder dwangsom niet te bereiken zijn. Verder heeft eiser ter zitting bevestigd dat in de betreffende straat veelvuldig sprake is van drugsgerelateerde criminaliteit en dat hij in de ergste buurt van [plaats] woont. De noodzakelijkheid van de sluiting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende gemotiveerd.
Is de sluiting evenwichtig?
Omdat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is, dient zij zich er ook van te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is.
Eiser voert aan dat de sluiting van de woning niet evenwichtig was. Gelet op de reden van het gebruik van cocaïne kan hem bestuursrechtelijk geen wezenlijk verwijt worden gemaakt van het enkele feit dat hij een kleine hoeveelheid drugs voor eigen gebruik in zijn woning aanwezig had. De woning fungeerde niet als handels- of gebruikerslocatie voor derden, waardoor de mate van verwijtbaarheid als zeer beperkt moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft eiser een bijzondere binding met zijn woning. Door de amputatie van zijn been is hij aangewezen op zijn (aangepaste) benedenwoning. Eiser kon tijdens de sluiting geen vervangende woonruimte vinden. Bovendien reiken de nadelige gevolgen van de sluiting verder dan de sluiting zelf. Tiwos heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en ontruiming van de woning gevorderd. Vanwege de sluiting bestaat het risico dat eiser op de zwarte lijst van de woningcorporatie wordt geregistreerd. Door de sluiting bestaat het risico dat eiser langdurig geen passende woning kan vinden. Ook kon eiser in de sluitingsperiode zijn vijf minderjarige kinderen niet ontvangen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij afhankelijk is van bijstand en dat zijn uitkering is verlaagd.
De burgemeester moet de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting afwegen tegen de doelen die zij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.[_c350f43f-0278-4f3d-8aed-b909902811fa] Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dient zij van sluiting af te zien.
Het is de rechtbank duidelijk dat de sluiting ook buiten de periode van de feitelijke sluiting ingrijpende gevolgen kan hebben voor eiser. De rechtbank oordeelt echter dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat de enkele omstandigheid dat eiser cocaïne gebruikt voor pijnbestrijding, niet maakt dat iedere verwijtbaarheid aan zijn zijde ontbreekt. Dat hij een aanzienlijke hoeveelheid drugs inkoopt omdat dit relatief goedkoper is en daarnaast drugsgerelateerde goederen in de woning aanwezig heeft, komt voor zijn risico.
Voor de beantwoording van de vraag of eiser een bijzondere binding met de woning heeft volgt de rechtbank het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat eiser heeft nagelaten zijn stelling dat hij vanwege zijn handicap gebonden is aan de woning nader te onderbouwen met (medisch) objectiveerbare gegevens. Niet is gebleken dat eiser juist op deze woning is aangewezen, of dat zijn gezondheidsproblemen zouden verergeren als hij (tijdelijk) in een andere woning zou moeten verblijven. Mede gelet op de (korte) duur van de sluiting, maakt een eventuele aanpassing van de woning de sluiting volgens de voorzieningenrechter niet zonder meer onevenwichtig. Bovendien is niet gebleken dat eiser serieuze pogingen heeft ondernomen om vervangende woonruimte te vinden. Eiser heeft in beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd waardoor het oordeel van de voorzieningenrechter niet gevolgd zou kunnen worden.
Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn minderjarige kinderen in de woning verbleven en dat daardoor de sluiting onevenwichtig zou zijn. Hij heeft ter zitting immers verklaard dat de kinderen niet in de woning slapen, maar met regelmaat bij hem langskomen. De kinderen staan niet op het adres ingeschreven en eiser heeft ook geen stukken, zoals een co-ouderschapsregeling, overgelegd waaruit blijkt dat de kinderen wel (gedeeltelijk) in de woning verblijven. De rechtbank concludeert dat de burgemeester er om die reden van uit mocht gaan dat de minderjarige kinderen niet zonder woonruimte zouden komen te zitten. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser zijn kinderen gedurende de sluiting van de woning niet op de gebruikelijke manier kon ontvangen voor regelmatig bezoek, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat hiermee sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor sluiting van de woning onevenwichtig is.
Tiwos is op 16 mei 2025 een civielrechtelijke procedure tegen eiser gestart, waarin zij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft gevorderd. Bij vonnis van 21 januari 2026 heeft de kantonrechter de vordering van Tiwos afgewezen, omdat ontbinding van de huurovereenkomst op dit moment niet gerechtvaardigd is. Vervolgens heeft Tiwos, naar aanleiding van het bestreden besluit, de huurovereenkomst op 24 februari 2026 buitengerechtelijk ontbonden. Omdat eiser de woning niet vrijwillig wilde verlaten, heeft Tiwos een kort geding aangespannen tot ontruiming van de woning. De vordering tot ontruiming is toegewezen bij het vonnis in kort geding van 14 april 2026, maar dit is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tiwos heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de bodemzaak en eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding. De rechtbank stelt vast dat deze procedures ertoe kunnen leiden dat eiser de woning moet verlaten en dat hij op een zwarte lijst komt te staan bij Tiwos als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Daartegenover staat dat eiser als huurder verantwoordelijk is voor de ontstane situatie.
De civielrechtelijke gevolgen hoeven zich niet zonder meer tegen een woningsluiting te verzetten. De rechtbank acht van belang dat eiser in dit geval een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de aanzienlijke handelshoeveelheid drugs die zijn woning is aangetroffen. Daarnaast heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat de burgemeester ten aanzien daarvan ervan mocht uitgaan dat deze door eiser in of vanuit de woning werd verhandeld.
Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank enkel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat zijn financiële situatie ertoe leidt dat de sluiting van de woning onevenwichtig is.
De rechtbank concludeert dat de sluiting voor de duur van één maand conform de beleidsregels is en dat de burgemeester gelet op bovengenoemde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van het beleid.
Anders dan eiser stelt, is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen en heeft de burgemeester een deugdelijke en inzichtelijke belangenafweging gemaakt. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot sluiting van de woning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Opiumwet
Artikel 2
Het is verboden om een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
- binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
- te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
- aanwezig te hebben;
- te vervaardigen.
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
- een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
- een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
Cocaïne staat op lijst I.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid)
Woningen en/of bij woningen behorende erven worden gesloten in de volgende gevallen:
- harddrugs in woningen en/of op bij woningen behorende erven
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelshoeveelheid van > 0,5 gram, en/of (een) voorwerp(en) en/of stof(fen) als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, van de Opiumwet voorhanden is/zijn, is sprake van een ernstig geval en volgt bij een 1ste constatering een sluiting van 1 maand. (..)
Voetnoten
- Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:896.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1875 (r.o. 2.1).
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3950, r.o. 5.7.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.