Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9644Zaaknummer BRE 26/2625
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/2625
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
tussenuitspraak opschorting, herziening, terugvordering PW, werkzaamheden.
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2625 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, het college.
Samenvatting
1. Deze tussenuitspraak gaat over de opschorting, intrekking en terugvordering van het recht op uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: PW) en van de bijzondere bijstand in de vorm van een individuele inkomenstoeslag. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van het college.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een onderzoeks- en motiveringsgebrek bevat. Het college krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid de gebreken te herstellen.
Procesverloop
2. Met het besluit van 29 september 2025 heeft het college besloten om het recht op uitkering van de PW met ingang van 23 september 2025 op te schorten. Met het besluit van 13 oktober 2025 is de uitkering per 23 september 2025 ingetrokken en met het besluit van 28 oktober 2025 is het recht op uitkering op grond van de PW ‘herzien’ (lees: ingetrokken) over de periode van 1 januari 2025 tot en met 22 september 2025 en heeft het college de bijzondere bijstand in de vorm van een individuele inkomenstoeslag herzien. In dit besluit is het terugvorderingsbedrag bepaalt op € 11.248,01 en is er een betalingsverplichting opgelegd. In het besluit van 4 december 2025 is aanvullend op het besluit van 28 oktober 2025 het recht op individuele inkomenstoeslag over 2025 ingetrokken.
Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 op de bezwaren van eiseres is het college bij deze besluiten gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het college is mr. [vertegenwoordiger college] verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt sinds 18 maart 2015 een bijstandsuitkering. Op 27 mei 2024 en 31 mei 2024 heeft een collega van de gemeente Oosterhout eiseres rond hetzelfde tijdstip de [B&B] (hierna: de B&B) binnen zien gaan. Naar aanleiding daarvan heeft het college een onderzoek ingesteld. In de maand juni 2024 werd herhaaldelijk waargenomen dat eiseres zich lopend naar de B&B begaf en het pand betrad. In de maanden juli en augustus 2024 werd eiseres niet waargenomen waarop is besloten het onderzoek stil te leggen. In november 2024 is het onderzoek hervat en werd opnieuw herhaaldelijk gezien dat eiseres de B&B betrad. Gelet op het tijdsverloop is besloten het onderzoek over het jaar 2024 af te sluiten en in 2025 opnieuw onderzoek te doen. In februari 2025 is het handhavingsonderzoek opnieuw gestart. Wederom zijn waarnemingen verricht waarbij gezien is dat eiseres de B&B betrad. Verder heeft er een dossier-, bronnen- en internetonderzoek plaatsgevonden en zijn gegevens van eiseres opgevraagd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van 9 oktober 2025.
4. Vervolgens krijgt eiseres de kans om een administratie aan te leveren. Eiseres levert de gevraagde bankafschriften aan alsmede de ‘invullijst’ met data van haar aanwezigheid bij de B&B. Volgens het college is de aangeleverde informatie incompleet en onvolledig en bovendien ook niet verifieerbaar en controleerbaar. De invullijst van eiseres en de verrichte waarnemingen door het college tonen namelijk veel discrepanties. Hierdoor bestaat er te veel onduidelijkheid over haar werkzaamheden bij de B&B.
5. Voorstaande onderzoeksbevindingen hebben geleid tot de besluitvorming opgenomen onder procesverloop.
Het standpunt van eiseres
6. Eiseres stelt dat de gevolgen van de litigieuze besluitvorming onevenredig zijn. De aanwezigheid van eiseres op reguliere basis kan, ondanks dat het wellicht vraagtekens oproept, de intrekking van de volledige uitkering niet rechtvaardigen. Bovendien heeft het college tijdens de hoorzitting betoogd dat niet uit te sluiten is dat eiseres meer op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, maar hier zijn geen aanwijzingen voor. Eiseres kan verder niet iets bewijzen wat er niet is. De besluitvorming kan niet in stand blijven in de huidige vorm.
Bewijslastverdeling
7. Voorop staat dat het hier gaat om een voor eiseres belastend besluit, namelijk de opschorting, intrekking en terugvordering van het recht op bijstand en het recht op een individuele inkomenstoeslag, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast in beginsel niet op eiseres maar op het college rust. Het ligt dus op de weg van het college om aannemelijk te maken dat eiseres heeft verzuimd informatie te verstrekken over haar werkzaamheden bij de B&B, waarbij zij haar inlichtingenplicht zou hebben geschonden.
Wat is in geschil?
8. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht bij de B&B. Tussen partijen is alleen in geschil of het recht op bijstand (schattenderwijs) kan worden vastgesteld.
Had het college (schattenderwijs) het recht op bijstand kunnen vaststellen?
9. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene door hem achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag dat betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden, waarbij het eventuele nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, wegens de schending van inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten mag worden.[_83e764e7-faa4-426a-8762-021130cf499c]
10. Naar het oordeel van de rechtbank kan het college niet volhouden dat het recht op bijstand van eiseres over de periode in geding, namelijk 1 januari 2025 tot en met september 2025, in zijn geheel niet is vast te stellen. Het college had dit schattenderwijs kunnen doen. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
11. Het college heeft enkel op maandagen en vrijdagen waarnemingen verricht. Gelet op de aard van de werkzaamheden c.q. de locatie waar de werkzaamheden werden verricht, zijn er geen aanknopingspunten dat eiseres op meer dan gemiddeld twee dagen per week werkzaamheden verrichte. Ter zitting is namelijk duidelijk geworden dat het bij de B&B gaat om één vakantiehuis dat aan derden verhuurd wordt. Bovendien is in de eerdere handhavingsrapportage opgenomen dat het belangrijk is om in het vervolg ook op dinsdagen, woensdagen en donderdagen te observeren om te kunnen vaststellen of eiseres mogelijkerwijs ook ergens anders op geld waardeerbare arbeid verricht. Het college heeft nagelaten om dit te laten onderzoeken. In het dossier zit verder ook geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat eiseres elders op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.
12. Ervan uitgaande dat eiseres hooguit op twee werkdagen per week werkzaamheden heeft verricht en als daaraan een reëel uurloon wordt gekoppeld – bijvoorbeeld op basis van de CAO schoonmaak à circa € 15,00 euro bruto – had het voor het college duidelijk moeten zijn dat eiseres met de betreffende werkzaamheden geen inkomsten kan hebben genoten tot het bedrag van de voor haar in die periode geldende bijstandsnorm. Het college had er daarom vanuit moeten gaan dat eiseres recht heeft op aanvullende bijstand.
13. Wat dan nog onzeker is, is het aantal uren dat eiseres op de betreffende dagen op geld waardeerbare arbeid verrichtte. De door eiseres opgegeven werktijden van twee uren per dag, telkens van 9 tot 11 uur op diverse maandagen en vrijdagen (in totaal dertig vanaf januari tot medio juli 2025), blijken in ieder geval niet te kloppen, gelet op de discrepanties met de gedane waarnemingen; zowel in ‘negatieve’ zin (eiseres is wel waargenomen op een dag die niet op de invullijst staat) als in ‘positieve’ zin (eiseres is niet waargenomen, terwijl die dag wel op de invullijst staat). Daar staat tegenover dat in de handhavingsrapportage staat dat op basis van de waarnemingen het vermoeden bestaat dat eiseres gemiddeld drie uur per keer werkzaam is bij de B&B, maar dat dit vermoeden niet onomstotelijk is komen vast te staan. Hoewel eventueel nadeel voor eiseres dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden voor rekening van eiseres gelaten mag worden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college om nader te onderzoeken, althans te motiveren van welk aantal uren, en meer specifiek van welk bedrag aan inkomsten, uitgegaan kan worden en aldus tot welk bedrag de uitkering van eiseres zou moeten worden herzien; waarbij tevens van belang is wat daarvan de gevolgen zijn voor de bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag. Daarom zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien.
14. De rechtbank draagt het college daarom op om alsnog schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag eiseres nog recht had op aanvullende bijstand met inachtneming van het bovenstaande.
Conclusie en gevolgen
15. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een onderzoeks- en motiveringsgebrek.
16. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen.
17. Meer concreet dient het college te bezien tot welk bedrag eiseres nog recht had op aanvullende bijstand en of, en zo ja tot welk bedrag, eiseres nog recht had op bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag.
18. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze uitspraak. Als het college, hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
19. Als het college gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen, zal de rechtbank vervolgens eiseres in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.
20. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Voetnoten
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.