Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9519Zaaknummer BRE 26/296 PW
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/296 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Een brief van het college waarin een vaste contactpersoon wordt toegewezen is geen besluit in de zin van de Awb.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.H.A.M. Verkooijen, griffier, op 2 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien
a. Het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/296 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.
gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van eiser. Het bezwaarschrift is door het college kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens het college geen sprake is van een besluit. Eiser is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van 6 november 2025 van verweerder inzake het toewijzen van een vaste contactpersoon. Daartoe is in die brief de heer [procesregisseur] aangewezen (ook wel procesregisseur genoemd).
3. Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 is het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 september 2026. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw [gemachtigde 1] en de heer [gemachtigde 2].
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 1:3 van de Awb is alleen sprake van een besluit, als een bestuursorgaan een schriftelijke beslissing neemt die een rechtsgevolg heeft. De brief die eiser heeft ontvangen is volgens het college geen dergelijke beslissing, maar een interne ordemaatregel van de gemeente. De maatregel verandert geen rechten of plichten, maar geeft slechts aan hoe de omgang en veiligheid rondom de werkzaamheden van de gemeente wordt georganiseerd. Doordat geen sprake is van een besluit, is het niet mogelijk hiertegen in bezwaar te gaan. Het bezwaar is daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en van het horen wordt op grond van artikel 7:3 onder a van de Awb afgezien.
Beroepsgronden
7. Eiser voert aan dat indien een maatregel de rechtspositie beïnvloedt, zoals het verbod om met andere ambtenaren te communiceren en de verplichte koppeling aan één procesregisseur, dat een besluit volgens de Awb is. Eiser mag andere ambtenaren niet meer contacteren, wat invloed heeft op zijn autonomie en rechtspositie. De verplichte koppeling aan één procesregisseur is een beperking van de keuzevrijheid en toegang tot de overheid. De situatie levert bij eiser spanningen op, wat bekend is bij zijn huisarts. De aanstelling van een procesregisseur hoeft eiser niet te accepteren. Daarbij mag een procesregisseur volgens eiser nooit voor het leven worden aangesteld en is het verboden om via een interne ordemaatregel iemand te koppelen aan een procesregisseur. Een interne ordemaatregel mag alleen betrekking hebben op interne werkprocessen, een taakverdeling of de interne organisatie. Zodra het betrekking heeft op iemands leven en rechten, is het geen interne maatregel meer. Eiser stelt dat het handelen van het college in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Ook is geen wettelijke grondslag aangevoerd voor de maatregel, is de gemeentesecretaris daartoe niet bevoegd, bestaat hier geen concrete aanleiding voor en is eiser niet gehoord voordat deze beslissing werd genomen. Verder voert eiser nog aan dat hij mogelijk is opgenomen in de GIR-registratie (Gemeentelijke Incidentenregistratie), zonder dat hij hierover is geïnformeerd.
8. Ook verzoekt eiser om schadevergoeding en verzoekt hij de rechtbank om een dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig nemen van een besluit. Verder maakt hij melding van een datalek en de weigering om een integriteitsonderzoek in te stellen. Daarnaast maakt eiser nog melding van kwijtschelding en verzoekt hij dat de heer [contactpersoon] zijn contactpersoon blijft.
Verweer
9. Het college heeft aanvullend aangevoerd dat het in deze zaak niet gaat over een inhoudelijke beslissing, maar over de manier waarop de gemeente haar interne werkprocessen heeft ingericht. De aanwijzing van een procesregisseur is bedoeld om het contact te bundelen en voor alle betrokkenen duidelijk en werkbaar te houden. Daarbij is steeds het uitgangspunt geweest dat eiser onverminderd toegang houdt tot de gemeente en de voor hem openstaande procedures. Doordat deze organisatorische keuze de rechtspositie van eiser niet wijzigt en geen rechtsgevolg voor hem in het leven roept, is geen sprake van een besluit in de zin van de Awb. Aangezien geen sprake is van een besluit, kan het beroep op de verschillende beginselen van behoorlijk bestuur ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarbij wordt opgemerkt dat de gekozen werkwijze zorgvuldig tot stand is gekomen, proportioneel is toegepast en uitsluitend is bedoeld om de communicatie te verbeteren. Ook stelt het college dat van het horen mocht worden afgezien. Met betrekking tot de stelling van eiser over een mogelijke GIR-registratie, stelt het college dat hiervan geen sprake is. Er bestaat geen GIR-registratie van eiser en ook anderszins is geen sprake van een registratie die rechtsgevolgen voor hem in het leven roept.
Wettelijk kader
10. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoud van het geschil
11. Eiser heeft verschillende dingen verzocht en aangekaart, zoals een integriteitsonderzoek, datalek en kwijtschelding. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen de brief van 6 november 2025 en de niet-ontvankelijkverklaring van het daartegen gerichte bezwaar voorligt. De beoordeling van de rechtbank is daarom beperkt tot de vraag of het college op goede gronden het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Is sprake van een besluit in de zin van de Awb?
12. In artikel 1:3 van de Awb is opgenomen dat een besluit een schriftelijke beslissing is van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die is gericht op een rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg indien zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. De beslissing moet dus gericht zijn op een extern rechtsgevolg, wat inhoudt dat rechten, aanspraken of verplichtingen worden vastgesteld, gewijzigd of opgeheven.[_5af3d4ad-f86c-4ea2-9d2f-362d4321ec64]
De rechtbank is van oordeel dat met de aanwijzing van de procesregisseur de rechtspositie van eiser niet wordt gewijzigd. Volgens de rechtbank is de brief een informatieve mededeling die gericht is op bevordering van de communicatie. Het heeft uitsluitend tot gevolg dat het contact via een vast aanspreekpunt verloopt en het heeft verder geen invloed op de rechten, aanspraken of verplichtingen van eiser jegens de gemeente.
Bovendien berust de brief niet op de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, waardoor het geen rechtsgevolg als gevolg kan hebben.[_c4623730-46da-46b4-9e0f-e4c3af0cd9e3] Dat eiser zich niet kan vinden in de gekozen werkwijze rondom het contact met de gemeente, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is de beslissing van het college niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoorplicht geschonden?
13. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslissing van het college tot aanwijzing van een procesregisseur geen besluit betreft. Het college heeft om die reden het bezwaarschrift op goede gronden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat op er voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Van het horen mocht daarom worden afgezien.
Zijn de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
14. Aangezien geen sprake is van een besluit, wordt niet toegekomen aan de vraag of het college in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Is er recht op schadevergoeding?
15. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige gegevensverwerking.
De rechtbank komt niet toe aan bespreking van het verzoek tot schadevergoeding, omdat geen sprake is van een besluit. Ook zal de rechtbank niet ingaan op het verzoek tot het opleggen van een dwangsom en het overige dat is aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.H.A.M. Verkooijen, griffier, op 2 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien
a. Het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.
Voetnoten
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CBb van 18 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:608.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:975.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.