Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9400Zaaknummer BRE 24/6951 WIA
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Publicatiedatum
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 24/6951 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Einduitspraak. Gebrek is hersteld.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 29 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6951
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.J. Overwater),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. M.H. van Gent).
Samenvatting
1. Deze einduitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 8 oktober 2025 (de tussenuitspraak) over de afwijzing van eisers aanvraag voor een verhoging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij die tussenuitspraak heeft de rechtbank het UWV opgedragen om een motiveringsgebrek in het bestreden besluit van 22 augustus 2024 te herstellen. Bij deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het UWV erin is geslaagd om het motiveringsgebrek te herstellen.
Procesverloop
2. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.[_e822e213-56ec-474e-86ce-f957e9d05a5d]
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering van de verzekeringsarts b&b van 3 maart 2026 overgelegd. Eiseres heeft hier met haar brief van 5 mei 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank sluit het onderzoek en doet hierna einduitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft bepaald dat het UWV dit zorgvuldigheidsgebrek kan herstellen door eiser in beginsel alsnog fysiek op een spreekuur te laten onderzoeken door de verzekeringsarts b&b. Daarbij is verzocht om in de rapportage van dat fysieke spreekuur ook in te gaan op de vraag in hoeverre de psychische klachten van eiser een rol kunnen spelen in de beoordeling van zijn mogelijkheid om essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen zelfstandig uit te voeren.
De verzekeringsarts b&b heeft op 1 december 2025 een huisbezoek afgelegd bij eiser. Daarbij was eisers vader aanwezig. Nadien heeft de verzekeringsarts b&b medische informatie opgevraagd bij eisers huisarts. Eisers huisarts heeft op 24 februari 2026 de vragen van de verzekeringsarts b&b beantwoord. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat hij in de informatie verkregen uit het huisbezoek en van de huisarts geen aanleiding ziet om een ander standpunt in te nemen. Volgens de verzekeringsarts b&b was eiser ten tijde in geding in staat tot het verrichten van essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen. De primaire verzekeringsarts heeft weliswaar aangegeven dat er sprake is van geregelde handreikingen, maar er is geen noodzaak tot continue oppassing. Daardoor wordt niet voldaan aan de twee cumulatieve voorwaarden voor ophoging. Met betrekking tot de psychische toestand van eiser heeft de verzekeringsarts b&b opgemerkt dat ten tijde van de datum in geding (2 januari 2023) de angststoornis voorop stond, waarvoor eiser nog laagdrempelige begeleiding had. De verzekeringsarts b&b meent dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat eiser vanwege de psychische problematiek niet in staat was tot het verrichten van essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek door het UWV met de aanvulling van de verzekeringsarts b&b alsnog op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Uit het rapport van 3 maart 2026 blijkt dat er een uitgebreide medische anamnese heeft plaatsgevonden. Ook blijkt daaruit dat de verzekeringsarts b&b alle beschikbare medische informatie, waaronder recente informatie van eisers huisarts, heeft betrokken in de beoordeling. Hiermee beschikte de verzekeringsarts b&b over voldoende inzicht in eisers lichamelijke en psychische toestand op de datum in geding. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat hij op de hoogte was van eisers situatie, en deze ook kenbaar heeft betrokken in zijn beoordeling. Het gebrek in het onderzoek is daarmee voldoende hersteld.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b met zijn (aanvullende) rapportages van 15 augustus 2024, 1 mei 2025 en 3 maart 2026, inzichtelijk en steekhoudend heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de twee cumulatieve voorwaarden voor verhoging van zijn uitkering. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts b&b.
Eiser heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn visusstoornis alles op de tast moet doen. Daar komt bij dat hij schimmel op brood, jam of vleeswaren niet kan zien. Daar heeft hij hulp van anderen bij nodig. Hetzelfde geldt voor kleding. Eiser kan zich aankleden, maar hij kan niet zien of kleding vies is. Dat iemand anders hem daarop moet wijzen, kan als hulp worden beschouwd. Toiletbezoek kan eiser fysiek gezien zelfstandig uitvoeren, maar door zijn visusstoornis kan hij niet alles goed zien, met als gevolg vieze onderkleding en een vervuild toilet. De rechtbank acht de motivering van de verzekeringsarts b&b hierover afdoende. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat eiser ten tijde van de datum in geding met behulp van zijn iPhone details kon vergroten en daardoor kon bekijken of eten al dan niet beschimmeld was. Bovendien kwamen er zorgverleners bij hem over de vloer en hielden zijn ouders toezicht, niet alleen op voedsel maar ook op de staat van eisers kleding. Tot slot valt het schoonhouden van het toilet onder huishoudelijke taken uitvoeren en dat behoort niet tot de levensverrichtingen die bedoeld worden met essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen. Daarom kan deze grond niet slagen.
Verder heeft eiser gesteld dat hij geregeld handreikingen krijgt van GGZ en derden. Daarmee is volgens eiser aan het tweede vereiste voldaan. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van continue oppassing, maar wel van geregelde handreikingen. Dit leidt echter nog niet tot het oordeel dat eiser in aanmerking dient te komen voor een verhoging van zijn WIA-uitkering. Daarvoor dient zowel aan de voorwaarde van geregelde oppassing als aan de voorwaarde van geregelde verzorging te worden voldaan. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van geregelde verzorging. Daarmee wordt dus aan één van de twee cumulatieve voorwaarden voor verhoging niet voldaan. Deze grond kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
Eiser heeft tot slot gewezen op de WLZ[_427c0d7c-02b5-4c10-b9da-8505b43b17dd]-indicatie GGZ Wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering die hem per 12 december 2023 is toegekend.
De rechtbank sluit zich aan bij wat de verzekeringsarts b&b hierover heeft opgemerkt in de rapportage van 3 maart 2026. Los van het feit dat deze indicatie geruime tijd na de datum in geding is afgegeven, geldt voor een WLZ-indicatie een ander toetsingskader dan voor de verhoging van een WIA-uitkering. Bovendien woonde eiser ten tijde van het huisbezoek door de verzekeringsarts b&b nog steeds zelfstandig. Ook de WLZ-indicatie kan eiser derhalve niet baten.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Omdat het UWV in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat het UWV terecht eisers aanvraag voor een verhoging heeft afgewezen.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt dus € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 29 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.