Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9166Zaaknummer BRE 25/2096
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/2096
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Einduitspraak na bestuurlijke lus.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand heeft gelaten ten aanzien van het gebruik van het tuinhuis voor zelfstandige bewoning;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 23 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de ABRvS waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2096
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, het college.
Als derde-partij neemt aan het geding deel [persoon] te [plaats] .
Procesverloop
1. In het besluit van 11 september 2024 (primair besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Dit handhavingsverzoek zag op het bouwen van een zwembad en een tuinhuis en het gebruiken van dat tuinhuis voor zelfstandige bewoning aan [adres] in [plaats] (het perceel).
2. In het besluit van 20 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met zijn partner, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [vertegenwoordiger college 1] en mr. [vertegenwoordiger college 2]. Vergunninghouder heeft zich afgemeld voor de zitting.
5. In de tussenuitspraak van 5 maart 2026 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
6. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering en twee controlerapporten ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
7. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en zowel eiser als de derde partij in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Eiser heeft op 5 augustus 2026 gebruik gemaakt van deze gelegenheid en schriftelijk gereageerd. Van de derde partij heeft de rechtbank geen reactie ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.
Overwegingen
8. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)[_6c5d671b-83cd-4389-8dc7-d881120d1c80].
9. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van strijdig gebruik van het tuinhuis in de vorm van zelfstandige bewoning. Om dit gebrek te herstellen moest het college nader beoordelen of sprake is van een overtreding van het gebruik van het tuinhuis. Dit kon het college doen door ten minste twee controles, met tussenpozen van twee weken, uit te voeren gericht op het gebruik van het tuinhuis. Het college heeft vervolgens op 2 en 22 april 2026 het gebruik van het tuinhuis op het perceel gecontroleerd. Daarbij heeft het college vastgesteld dat geen sprake is van zelfstandige bewoning van het tuinhuis en dat het bouwwerk wordt gebruikt overeenkomstig de daarvoor verleende omgevingsvergunning en geldende bestemming.
10. Eiser heeft in zijn reactie hiertegen ingebracht dat uit de controlerapporten blijkt dat in het bouwwerk een keukenvoorziening en een afzonderlijke toiletruimte aanwezig zijn. Verder volgt uit de overgelegde foto’s dat het bouwwerk beschikt over voorzieningen die verder gaan dan hetgeen normaal gesproken bij een regulier tuinhuis mag worden verwacht. In de rapportages wordt niet vermeld dat bovenop het bouwwerk zonnepanelen en twee apparaten liggen om zomers te koelen en in de winter te verwarmen en dat er een grote televisie aan de muur hangt. Dat er geen slaapvoorziening is aangetroffen, betekent niet dat geen sprake kan zijn van zelfstandige bewoning. Een slaapvoorziening kan namelijk overdag worden weggehaald.
11. De rechtbank is het met het college van oordeel dat het hiermee voldoende heeft vastgesteld dat geen sprake is van een overtreding met betrekking tot het gebruik van het tuinhuis. Het college heeft met de twee uitgevoerde controles representatief en deugdelijk onderzocht of de door eiser genoemde overtreding zich voordeed. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat voor bewoning niet alleen de nachtelijke periode representatief is, omdat het bij bewoning gaat om een situatie die zich niet tot de nacht beperkt. Op basis van die controles heeft het college gemotiveerd geconcludeerd dat het tuinhuis niet voor zelfstandige bewoning werd gebruikt. Er verbleef namelijk niemand in het bijgebouw en er was geen slaapkamer aanwezig die duidde op zelfstandige bewoning. Het college heeft hiermee het door de rechtbank geconstateerde gebrek hersteld. Het enkele feit dat het tuinhuis beschikt over de door eiser genoemde luxueuze voorzieningen en apparaten maakt dit niet anders. Dit betekent namelijk nog niet dat er zelfstandig in het tuinhuis wordt gewoond. Anders dan eiser heeft aangevoerd is niet de vraag of het tuinhuis zelfstandig kan worden bewoond, maar of het college deze overtreding heeft vastgesteld.
12. Het beroep, voor zover dat gaat over het zwembad en het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen, slaagt niet. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
13. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand heeft gelaten ten aanzien van het gebruik van het tuinhuis voor zelfstandige bewoning. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en met de daarbij overgelegde twee controlerapporten het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand. Dit betekent dat het college niet handhavend optreedt tegen het gebruik van het tuinhuis.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand heeft gelaten ten aanzien van het gebruik van het tuinhuis voor zelfstandige bewoning;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 23 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de ABRvS waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.