Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 september 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8949Zaaknummer BRE 26/4745

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15 september 2026
Publicatiedatum
22 september 2026
Zaaknummer
BRE 26/4745
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening | exploitatievergunning | schorsing voorschrift

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dit ziet op voorschrift 3 toe;
  • schorst voorschrift 3 behorende bij de exploitatievergunning voor de inrichting gelegen aan het [adres] te [plaats] tot twee weken na de beslissing op bezwaar;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige af;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 15 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:46 bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 3:47, eerste lid bepaalt dat de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

Algemene plaatselijke verordening Tilburg 2026

Artikel 2, eerste lid, bepaalt dat een vergunning of ontheffing in ieder geval kan worden geweigerd in het belang van:

  • de openbare orde;
  • de openbare veiligheid;
  • de volksgezondheid;
  • e bescherming van het milieu.

Artikel 3, eerste lid, bepaalt dat aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 38, eerste lid bepaalt dat het de exploitant verboden is om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.

Artikel 38, tweede lid, bepaalt dat de burgemeester aan de vergunning voorschriften kan verbinden.

Artikel 41, tweede lid, bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk kan weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

Artikel 41, derde lid, bepaalt dat bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond de burgemeester rekening houdt met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
  8. Bijlage Wettelijk kader

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/4745

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, de burgemeester

(gemachtigde: mr. M.A. Wouters).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel:

[ondernemersvereniging] e.a. uit [plaats]

(gemachtigde: mr. K.J. Breedijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende exploitatievergunning voor de inrichting van verzoekster gelegen aan het [adres] te [plaats]. De exploitatievergunning is onder voorwaarden verleend en verzoekster is het met een aantal van die voorschriften niet eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om – in dit geval één of meerdere voorschriften behorend bij – het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij onder meer aan de hand van de gronden van verzoekster.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor haar inrichting aan het [adres] te [plaats]. De burgemeester heeft deze vergunning met het bestreden besluit van 15 juli 2026 verleend en aan de exploitatievergunning een aantal voorwaarden verbonden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen..

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster met mr. T.G.A.A. van de Boomen en [persoon 1], de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van derde partij met [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5].

2.2.

Ter zitting heeft gemachtigde van derde-partij gemeld dat hij nog meer machtigingen had ontvangen van mensen namens wie hij optreedt. Die nieuwe machtigingen heeft gemachtigde op verzoek van de voorzieningenrechter niet alsnog ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit

3. Op 12 november 2025 heeft verzoekster een aanvraag om exploitatievergunning ingediend voor de inrichting aan het [adres] in [plaats].

3.1.

Bij besluit van 15 juli 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester aan verzoekster onder voorwaarden een exploitatievergunning verleend.

3.2.

Verzoekster heeft (pro-forma) bezwaar gemaakt en de burgemeester verzocht om schorsing van de vergunningsvoorschriften 2, 3, en 5 die onder meer zien op het gebruik van alleen de hoofdingang en het verbod van het gebruik van het binnenterrein en de daar gelegen tweede ingang door bezoekers. Derde partij heeft ook bezwaar gemaakt tegen de verleende exploitatievergunning.

3.3.

Bij e-mailbericht van 19 augustus 2026 heeft de burgemeester het verzoek om (gedeeltelijke) schorsing van de vergunningsvoorschriften 2, 3, 5 hangende de bezwaarprocedure afgewezen.

3.4.

Verzoekster heeft vervolgens het verzoek om voorlopige voorziening ingediend[_76fa79f3-8167-43db-a37f-4f21168dc2ed].

Toetsingskader

4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter kan in beginsel alleen een voorlopige voorziening treffen als degene die om een voorlopige voorziening verzoekt een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een voorlopige voorziening is een tijdelijke maatregel die wordt genomen als de uitkomst van de bodemzaak, in dit geval de bezwaarschriftprocedure, niet kan worden afgewacht.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster een spoedeisend belang bij de voorliggende procedure. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als beginnende onderneming door voorschrift 3 – samengevat het verbod om bezoekers gebruik te laten maken van de ingang gelegen aan het binnenterrein – niet alleen financieel geraakt zal worden door annuleringen van bijeenkomsten maar ook te maken zal krijgen met reputatieschade. De doelgroep waarop verzoekster zich richt zoekt, organiseert bijeenkomsten waarbij van belang is dat mannen en vrouwen gescheiden ingangen kunnen gebruiken.

Waarop ziet het verzoek om voorlopige voorziening

6. Verzoekster wil schorsing van voorschrift 3 en van voorschrift 5 voor zover dit laatste voorschrift ziet op het gebruik van het binnenterrein voor het komen en gaan van bezoekers naar de tweede ingang van de inrichting. Ter zitting heeft verzoekster bevestigt dat zij het verzoek voor zover dat ziet op de schorsing van de sluitingstijden (voorschrift 2) verbonden aan de exploitatievergunning heeft ingetrokken.

6.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting door verzoekster – onbetwist – is aangevoerd dat de ingang gelegen aan het binnenterrein door voorgaande ondernemingen al 25 jaar als (tweede) ingang wordt gebruikt. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de exploitatie door de vorige huurder van het pand in de vorm van een café/shishalounge voor overlast voor de omgeving heeft gezorgd. Ook is niet in geschil dat zich in het tegenover de inrichting gelegen [park] en de directe (openbare) omgeving van het park problemen met de openbare orde en veiligheid voordoen. Tot slot stelt de voorzieningenrechter vast dat uit het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan Tilburg volgt dat op de locatie [adres] horeca tot en met horecacategorie 2 is toegestaan. Uit de planregels blijkt dat hieronder ook een partycentrum (zalencentrum) met een netto vloeroppervlak van maximaal 500 m² wordt verstaan. De inrichting voldoet hieraan.

Voorschrift 3 (gebruik hoofdingang en binnenterrein)

7. Voorschrift 3 van de exploitatievergunning bepaalt het volgende: “De houder van de inrichting dient voor alle bezoekers uitsluitend de hoofdingang aan de voorzijde van het pand te gebruiken. Het is niet toegestaan dat bezoekers het pand betreden of verlaten via de ingang aan het binnenterrein. Het binnenterrein dat toegang biedt tot de inrichting, zaal aan de achterzijde, mag uitsluitend worden gebruikt als doorgangsroute voor personeel. Bezoekers, gasten of andere aanwezigen mogen zich daar niet ophouden, stilstaan of in groepen verzamelen. De houder van de inrichting houdt actief toezicht op de naleving van dit voorschrift en treft direct maatregelen zodra personen zich toch op het binnenterrein ophouden, zodat hinder voor omwonenden wordt voorkomen.”

Uit het bestreden besluit blijkt dat de burgemeester het gezien de veiligheidssituatie in de buurt en de geschiedenis van geluidsoverlast noodzakelijk heeft geacht om onder meer dit aanvullend voorschrift aan de vergunning te verbinden.

7.1.

De voorzieningenrechter ziet niet in waarom met het oog op het voorkomen van overlast of openbare ordeproblemen de ingang aan het binnenterrein niet gebruikt zou mogen worden voor het toelaten en laten vertrekken van bezoekers. De burgemeester heeft niet onderbouwd waarom door het enkel komen en gaan van bezoekers openbare ordeproblemen ontstaan. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het regelmatig komen en gaan van bezoekers via het binnenterrein ook juist een bijdrage zou kunnen leveren aan het voorkomen van overlast door anderen op het binnenterrein. Het wordt immers minder aantrekkelijk voor derden – met minder goede bedoelingen – om zich hier op te houden als zij gestoord kunnen worden door bezoekers van de inrichting die gedurende de avond via het binnenterrein komen en gaan. Bovendien wordt van verzoekster verwacht dat zij – gelet op voorschrift 5 – toezicht houdt op het binnenterrein. Ook daar kan een afschrikwekkende werking uitgaan jegens ongewenste derden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering van de burgemeester om dit voorschrift aan de exploitatievergunning te verbinden niet toereikend is. Zeker nu uit voorschrift 5 van de exploitatievergunning voortvloeit dat bezoekers zich niet op het binnenterrein mogen ophouden.

7.2.

Gelet op de ontoereikende motivering van het voorschrift door de burgemeester, het onbetwiste al jarenlange gebruik van de ingang aan het binnenterrein en de – andere – doelgroep waarop de bedrijfsvoering van verzoekster zich richt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voorschrift 3 te schorsen tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Voorschrift 5 (overlast voorkomen)

8. Voorschrift 5 van de exploitatievergunning bepaalt het volgende: “De houder van de inrichting en de leidinggevenden/beheerders treffen maatregelen om overlast voor de omgeving te voorkomen en houden toezicht op het gedrag van bezoekers in en direct rondom de inrichting. Indien overlast ontstaat, nemen zij direct passende maatregelen om deze te beëindigen. Onder dergelijke maatregel wordt in ieder geval verstaan dat wordt voorkomen dat bezoekers tijdens openingstijden of na sluitingstijd buiten de inrichting verblijven en daar geluidsoverlast veroorzaken, alsmede voorkomen dat bezoekers gebruik maken van het binnenterrein om te roken of zich daar anderszins op te houden.”

8.1.

Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij zich niet verzet tegen de uit dit voorschrift voortvloeiende verplichting om overlast rondom de inrichting te voorkomen. Zij wil met de voorliggende procedure bereiken dat zij voorschrift 5 niet overtreedt wanneer bezoekers het binnenterrein gebruiken om via de daar gelegen (tweede) ingang de inrichting binnen te komen of te vertrekken vanuit de inrichting.

8.2.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot (gedeeltelijke) schorsing van voorschrift 5. Dit voorschrift ziet op het houden van toezicht om overlast van (bezoekers van) de inrichting te voorkomen. Voor zover dit voorschrift ziet op het zich ophouden door bezoekers op het binnenterrein, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit voorschrift niet uitsluit/verbiedt dat bezoekers via het binnenterrein kunnen komen en gaan naar de inrichting.

Anders gezegd de bezoekers kunnen het binnenterrein gebruiken om naar de (tweede ingang) te komen of van daaruit te vertrekken zonder dat voorschrift 5 van de exploitatievergunning wordt overtreden. Het is echter niet toegestaan dat bezoekers op het binnenterrein (op elkaar) wachten, roken of dat zij zich anderszins – langer dan nodig om de inrichting binnen te gaan of om te vertrekken – op het binnenterrein ophouden.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande zal de voorlopige voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen voor zover dat ziet op voorschrift 3 van de exploitatievergunning. Hij zal dit voorschrift schorsen tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook moet de burgemeester de proceskosten van verzoekster vergoeden. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dit ziet op voorschrift 3 toe;
  • schorst voorschrift 3 behorende bij de exploitatievergunning voor de inrichting gelegen aan het [adres] te [plaats] tot twee weken na de beslissing op bezwaar;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige af;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 15 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:46 bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 3:47, eerste lid bepaalt dat de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

Algemene plaatselijke verordening Tilburg 2026

Artikel 2, eerste lid, bepaalt dat een vergunning of ontheffing in ieder geval kan worden geweigerd in het belang van:

  • de openbare orde;
  • de openbare veiligheid;
  • de volksgezondheid;
  • e bescherming van het milieu.

Artikel 3, eerste lid, bepaalt dat aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 38, eerste lid bepaalt dat het de exploitant verboden is om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.

Artikel 38, tweede lid, bepaalt dat de burgemeester aan de vergunning voorschriften kan verbinden.

Artikel 41, tweede lid, bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk kan weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

Artikel 41, derde lid, bepaalt dat bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond de burgemeester rekening houdt met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.