Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 september 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8911Zaaknummer BRE 25/501

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14 september 2026
Publicatiedatum
21 september 2026
Zaaknummer
BRE 25/501
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting, beroep is ongegrond, zorgvuldigheidsbeginsel, niet-tijdig beslissen op bezwaar

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Feiten
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgrond of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgrond van belanghebbende niet slaagt. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 januari 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft op 21 januari 2025 tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Aldaar is niemand verschenen. Gemachtigde en belanghebbende hebben zich bij brief van 15 augustus 2026 afgemeld voor de zitting. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 27 augustus 2026 afgemeld voor de zitting. Gelet op het voorgaande heeft de zitting plaatsgevonden zonder aanwezigheid van partijen.

Feiten

3. Op 12 oktober 2024 omstreeks 11:23 uur stond de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken], geparkeerd aan de [locatie] te [plaats].

3.1.

Tijdens een controle op voormelde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat voor het parkeren geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,15, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,50 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.

3.2.

Belanghebbende heeft op 18 oktober 2024 bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

3.3.

Op 22 november 2024 heeft de heffingsambtenaar – voor zover hier van belang – de volgende brief aan belanghebbende verzonden:

“Voor de afhandeling van het bezwaarschrift streeft de afdeling bezwaren naar een behandeltermijn van 6 weken, maar heeft wettelijk de tijd tot het einde van het kalenderjaar.”

3.4.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 1 januari 2025 gewezen op het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar.

3.5.

Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 12 oktober 2024 geparkeerd stond aan de [locatie] te [plaats]. De [locatie] is door het college van burgemeesters en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.[_d6f33d2f-5424-410b-8e74-ce63563c103f]

Beoordeling door de rechtbank

4. Belanghebbende erkent dat de naheffingsaanslag terecht aan hem is opgelegd. Belanghebbende wijst echter op de gang van zaken rondom de uitspraak op bezwaar en voert als beroepsgrond aan dat de heffingsambtenaar niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar. De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder als een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van het griffierecht en restitutie van de nageheven parkeerbelasting.

4.1.

De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar een gemeenteambtenaar is. Op grond van artikel 236 Gemeentewet heeft een gemeenteambtenaar in beginsel tot 31 december van een lopend kalenderjaar de tijd om uitspraak op bezwaar te doen. Als een belastingplichtige op 1 januari van het volgende jaar constateert dat ten onrechte nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan, dient hij een ingebrekestelling aan de betreffende gemeenteambtenaar te sturen. Hiermee wordt de gemeenteambtenaar in de gelegenheid gesteld deze fout te herstellen.

4.2.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 1 januari 2025 gewezen op het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar twee weken de tijd om het verzuim te herstellen.[_d05f322c-84b6-459a-9923-a1879ecb81be] Dat heeft de heffingsambtenaar ook gedaan. De heffingsambtenaar heeft op 3 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Voor dat geval blijft de overschrijding zonder gevolgen. Dit is een bewuste keuze van de wetgever. Of dat redelijk is (in relatie tot het feit dat belastingplichtigen zich op hun beurt ook aan termijnen moeten houden), is een vraag die de rechter niet kan beantwoorden. De rechter moet volgens de wet recht spreken. Hij mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.[_a09fcf3e-6295-4354-bcbe-1ac6b58d3505]

4.3.

Gelet op het voorgaande is het betoog dat de heffingsambtenaar zich boven de wet gesteld heeft, dus onjuist.

4.4.

Ten aanzien van een eventuele schending van het zorgvuldigheidsbeginsel oordeelt de rechtbank als volgt. Juist omdat de wetgever heeft voorzien in een handelwijze (inclusief een compensatie in de vorm van een eventuele dwangsom), is de rechtbank van oordeel dat terughoudend moet worden geoordeeld of in de periode van het verzuimherstel sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan slechts sprake indien er aanvullende indicatoren zijn, zoals dat de heffingsambtenaar verwijtbaar heeft getalmd met het doen van de uitspraak. Dergelijke indicatoren zijn niet aannemelijk geworden. Dus hoewel een overschrijding van 3 dagen niet wenselijk is, levert het geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op enige vergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.