Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8578Zaaknummer C/02/450742 / JE RK 26-1341 en C/02/450720 / JE RK 26-1340
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/450742 / JE RK 26-1341 en C/02/450720 / JE RK 26-1340
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
MUHP tot einde OTS.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 augustus 2026 tot 28 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. Van den Beld, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/450742 / JE RK 26-1341 ((spoed)machtiging tot uithuisplaatsing)
C/02/450720 / JE RK 26-1340 (machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats], Eritrea,
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een onbekend adres in [plaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2],
[de stiefmoeder],
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake C/02/450742 / JE RK 26-1341
- de beschikking van 24 juli 2026 en alle daarin vermelde stukken.
Inzake C/02/450720 / JE RK 26-1340
- het verzoekschrift met bijlagen van 23 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de stiefmoeder, bijgestaan door mevrouw [persoon], tolk in de taal Tigrinya;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de vader wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 28 januari 2027.
Bij beschikking van 28 januari 2026 is door de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en in aansluiting hierop in een gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.
Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder], en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is bij beschikking van 23 april 2026 verlengd met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026.
Bij beschikking van 24 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 juli 2026 tot 7 augustus 2026.
Op grond hiervan verblijft [minderjarige] bij een gezinshuis.
3 Het verzoek
Inzake C/02/450742 / JE RK 26-1341
De kinderrechter beschouwt het verzoek van de GI als één verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, waarbij is verzocht dat ten aanzien van de eerste vier weken wordt beslist zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 7 augustus 2026 en tot 28 januari 2027.
Inzake C/02/450720 / JE RK 26-1340
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt dit verzoekschrift binnen twee weken, dan wel zo spoedig mogelijk, op zitting te behandelen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige], samengevat, aangegeven dat hij bij het gezinshuis wil blijven. [minderjarige] vindt dit een fijnere plek dan de groep. De vader wil ook niet dat [minderjarige] terug thuis komt wonen.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. [minderjarige] verblijft op het moment in een gezinshuis. Daar gaat het goed met hem. Het gezinshuis ziet dat de plaatsing passend is voor [minderjarige] en willen hem daar behandeling bieden. Er wordt onderzocht of [minderjarige] daar langer kan blijven. Zo niet, dan is er op korte termijn plek voor [minderjarige] op een begeleide woonvoorziening. De GI zal onderzoeken waar het perspectief van [minderjarige] is gelegen. Ook zal er worden onderzocht of er met de inzet van hulpverlening iets kan worden gedaan aan de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige] en de vader. Tussen de vader en [minderjarige] is op het moment geen contact.
De stiefmoeder geeft aan dat zij het liefst zou willen dat [minderjarige] thuis bij de vader opgroeit. Eerder heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat hij daar wil verblijven. Het is voor de stiefmoeder het belangrijkste dat [minderjarige] zich fijn en veilig voelt.
5 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat [minderjarige] en de vader de Eritrese nationaliteit hebben en de moeder de Britse. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inzake C/02/450742 / JE RK 26-1341
Spoedbeslissing
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 juli 2026 met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van twee weken. Deze beslissing is genomen zonder eerst de belanghebbenden te horen. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 5 augustus 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 24 juli 2026 moet worden herroepen.
Machtiging tot uithuisplaatsing
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (nog) noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Het is de kinderrechter gebleken dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader de afgelopen periode opnieuw onhoudbaar is geworden. De veiligheid van [minderjarige] kan in de thuissituatie niet worden gewaarborgd. In de thuissituatie heeft zich een conflict voorgedaan, waardoor [minderjarige] bij de vader is weggelopen. Wanneer de spanning oploopt wordt gezien dat de vader boos wordt en [minderjarige] hier (al dan niet vanuit zijn trauma’s) dusdanig bang van wordt dat hij niet naar huis durft te gaan en gaat zwerven op straat. Het ontbreekt [minderjarige] daardoor aan een veilige en stabiele verblijfplaats. Sinds [minderjarige] is weggelopen geeft de vader aan dat [minderjarige] niet langer welkom is thuis. Ook [minderjarige] wil zelf liever niet langer bij de vader verblijven. Tot op heden heeft er nog geen contactherstel plaatsgevonden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een thuisplaatsing op dit moment niet tot de mogelijkheden behoord. De huidige gezinsomstandigheden bij de vader bieden onvoldoende veiligheid, stabiliteit en continuïteit om de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen. [minderjarige] is gebaat bij de duidelijke kaders en ondersteuning die hem binnen het gezinshuis wordt geboden en doet het hier naar omstandigheden goed. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat de plaatsing aldaar kan worden voortgezet.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
C/02/450720 / JE RK 26-1340
Nu de kinderrechter op het verzoek met zaaknummer C/02/450742 / JE RK 26-1341 beslist en dit verzoek gelijkluidend is als het verzoek in onderhavige procedure, heeft de GI dit verzoek ingetrokken. Dit verzoek behoeft dan ook geen inhoudelijke beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 augustus 2026 tot 28 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. Van den Beld, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.