Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8345Zaaknummer C/02/448465 FA RK 26-2644

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/448465 FA RK 26-2644
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen: toevertrouwing, zorgregeling, gebruik van de woning, UHA, kinder- en partneralimentatie

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres], te [woonplaats], en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;

4.2

bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] om [geboortedag] 2013;

4.3

bepaalt dat de man en genoemde [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar ieder weekend bij de man, de ene week op zaterdag en de andere week op zondag:

- de eerste maand: gedurende drie uur;

- de tweede maand: gedurende vier uur;

- vanaf de derde maand: gedurende zes uur, waarbij de exacte tijdstippen in onderling overleg worden bepaald;

4.4

verwijst partijen en genoemde [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;

4.5

verzoekt het loket om uiterlijk op 2 februari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/450172 FA RK 26-3538 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;

4.6

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

4.7

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

4.8

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/450172 FA RK 26-3538 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.16 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

4.9

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;

4.10

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 562,= (vijfhonderdtweeënzestig euro) per maand, aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen;

4.11

verklaart de man niet-ontvankelijk in de volgende verzoeken:

- te bepalen dat beide ouders het contact tussen [minderjarige] en de andere ouder actief bevorderen en zich onthouden van negatieve beïnvloeding;

- te bepalen dat communicatie over [minderjarige] uitsluitend schriftelijk plaatsvindt, bij voorkeur via ouderschapsapp of e-mail;

- te bepalen dat de vrouw de man volledig informeert over de Indonesië-reis en dat [minderjarige] tijdens de reis vaste telefonische of videomomenten met de man heeft;

- te bepalen dat kindgebonden financiële aanspraken worden afgestemd op de feitelijke zorgverdeling;

4.12

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De verzoeken
  2. 3 De beoordeling
  3. 4 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/448465 FA RK 26-2644

datum uitspraak: 30 juli 2026

beschikking betreffende voorlopige voorzieningen

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.A. Ray,

en

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.B. de Jong,

(advocaat was: mr. R.T.P. Tielemans).

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 22 mei 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- het op 13 juli 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;

- het op 14 juli 2026 ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken;

- het F9-formulier van mr. Ray van 3 juli 2026, met bijlage;

- de op 16 juli 2026 overgelegde pleitnota van mr. De Jong, met bijlage.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;

- de man;

- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

1.3 Zoals de rechter ter zitting aan partijen heeft voorgehouden, heeft zij geen kennis genomen van het door mr. Ray overgelegde videomateriaal. Die beelden worden niet betrokken bij de beoordeling van de verzoeken.

1.4 Voor aanvang van de zitting is door de bode een brief van [minderjarige] aan de rechter overhandigd. De inhoud van die brief is door de rechter op de zitting met partijen gedeeld en maakt onderdeel uit van het procesdossier.

2 De verzoeken

2.1

De vrouw verzoekt:

- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], te [woonplaats], door haar, met bevel aan de man de woning te verlaten;

- toevertrouwing van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013 (hierna [minderjarige]), aan haar;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 739,= per maand;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 526,= per maand.

2.2

De man verzoekt:

- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem, met bevel aan de vrouw de woning te verlaten en niet meer te betreden;

- toevertrouwing van de minderjarige [minderjarige] aan hem;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige] primair: om de week bij iedere ouder verblijft, waarbij het wisselmoment op zondag om 18:00 uur zal zijn, althans maandag naar school, en de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft hem naar de andere ouder zal brengen, subsidiair: structureel bij de man verblijft, met vaste bel- of videomomenten en iedere voorziening te treffen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] juist acht.

3 De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

3.1

Vanwege de Indonesische nationaliteit van de vrouw heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat zij internationaal bevoegd is op de verzoeken te beslissen en zal daarbij Nederlands recht toepassen.

Aanvullende verzoeken van de man

3.2

In de door de man overgelegde pleitnota zijn, naast de hiervoor genoemde zelfstandige verzoeken, nog enkele aanvullende verzoeken gedaan die niet onder de limitatieve opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vallen. De man zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de volgende verzoeken:

- te bepalen dat beide ouders het contact tussen [minderjarige] en de andere ouder actief bevorderen en zich onthouden van negatieve beïnvloeding;

- te bepalen dat communicatie over [minderjarige] uitsluitend schriftelijk plaatsvindt, bij voorkeur via ouderschapsapp of e-mail;

- te bepalen dat de vrouw de man volledig informeert over de Indonesië-reis en dat [minderjarige] tijdens de reis vaste telefonische of videomomenten met de man heeft;

- te bepalen dat kindgebonden financiële aanspraken worden afgestemd op de feitelijke zorgverdeling.

Toevertrouwing van [minderjarige], de zorgregeling en het uitsluitend gebruik van de woning

3.3

De vrouw legt aan haar verzoek [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen ten grondslag dat zij gedurende het huwelijk altijd het grootste deel van de zorgtaken op zich heeft genomen en dat wenst voort te zetten gedurende de echtscheidingsprocedure. Partijen hebben een gespannen verstandhouding, waarbij incidenten van huiselijk geweld hebben plaatsgevonden. Veilig Thuis is naar aanleiding van een politiemelding betrokken geraakt bij het gezin en volgens de vrouw is bij de man ook sprake van alcohol- en middelengebruik. De man is volgens de vrouw onvoldoende in staat [minderjarige] een veilige opvoedsituatie te bieden en zij maakt zich ernstige zorgen over de wijze waarop de man met [minderjarige] communiceert en omgaat. Gelet op de spanningen tussen partijen is de huidige situatie waarbij zij samen in de woning verblijven verder onhoudbaar. Dit heeft er zelfs toe geleid dat [minderjarige] inmiddels al sinds april van dit jaar bij de buren van partijen verblijft. De vrouw wenst rust voor haar en [minderjarige] in de woning van partijen. Zij beschikt niet over alternatieve woonruimte waar zij met [minderjarige] kan verblijven. Op de zitting heeft de vrouw, in reactie op het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling, aangegeven dat zij niet negatief tegenover contact staat tussen [minderjarige] en de man. Een co-ouderschapsregeling is volgens haar (nog) niet aan de orde. Contact in de weekenden is volgens haar voor nu passender. Ze wil daarbij alleen niet dat de man met [minderjarige] in de auto stapt omdat ze bang is dat de man dat ook doet als hij onder invloed van alcohol/middelen is.

3.4

De man voert verweer. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij aan de man wordt toevertrouwd. De man heeft tijdens het huwelijk ook een groot deel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich genomen. Hij is het verder met de vrouw eens dat de huidige situatie van partijen in de woning onhoudbaar is. De man meent echter een groter belang te hebben bij het uitsluitend gebruik van de woning dan de vrouw. De vrouw verlaat de woning veelvuldig om elders te verblijven, onder andere structureel bij de buren met [minderjarige] en daarnaast zij kan ook bij haar moeder of zus verblijven. De man heeft geen familie of vrienden in de omgeving bij wie hij kan verblijven. Hij verzoekt verder vaststelling van een zorgregeling. Op de zitting heeft hij aangegeven dat deze zorgregeling misschien moet worden opgebouwd, omdat de man [minderjarige] sinds april slechts tweemaal heeft gezien.

3.5

De Raad heeft ter zitting geadviseerd [minderjarige] aan de vrouw toe te vertrouwen. Voor de Raad is in ieder geval duidelijk dat geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw. De Raad kan echter op dit moment niet met zekerheid vaststellen dat [minderjarige] ook bij de man veilig is. De Raad heeft contact gehad met Veilig Thuis. Zij hebben aangegeven dat in augustus 2025 voor het eerst een melding is gemaakt bij Veilig Thuis vanwege een mishandeling van de vrouw door de man in het bijzijn van [minderjarige]. In april 2026 is nog een melding gemaakt, maar die is nog niet verder opgepakt door Veilig Thuis. Verder heeft de Raad van de politie begrepen dat de man in 2023 is aangehouden wegens rijden onder invloed. Het voorgaande maakt dat de Raad zorgen heeft over alcohol- en middelengebruik door de man en de veiligheid van [minderjarige]. Ook de verzochte co-ouderschapsregeling door de man is voor de Raad nog een stap te ver. De Raad adviseert een regeling vast te leggen waarbij er regelmatig een kort contactmoment van een paar uurtjes moet plaatsvinden.

3.6

[minderjarige] heeft in zijn brief aan de rechter aangegeven dat hij het liefste bij zijn moeder wil wonen, omdat zij altijd voor hem klaarstaat. Hij wil zijn vader verder regelmatig zien, in de weekenden en vakanties, om leuke dingen mee te doen. Daarbij moeten een aantal vaste regels gelden volgens [minderjarige], namelijk geen alcohol of drugs.

3.7

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij aan de vrouw wordt toevertrouwd en overweegt daartoe als volgt. Gebleken is dat [minderjarige] sinds april bij de buren van partijen verblijft. De vrouw gaat daar sindsdien dagelijks naartoe en heeft dus in ieder geval de afgelopen periode het grootste deel van de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. De man heeft [minderjarige] sinds hij bij de buren verblijft slechts twee keer enkele uren gezien. Bij die stand van zaken is toevertrouwing van [minderjarige] aan de man op dit moment een stap te ver. Daarnaast is, zoals door de Raad op de zitting ook is aangegeven, onvoldoende duidelijkheid over de veiligheid van [minderjarige] als hij aan de man zou worden toevertrouwd. De man ontkent dat sprake is van middelengebruik en problematisch alcoholgebruik, maar er zijn wel twee meldingen geweest bij Veilig Thuis over incidenten van fysiek geweld van de man richting de vrouw en de man is eerder ook al aangehouden voor rijden onder invloed. Daarentegen is er geen enkele discussie over de veiligheid van [minderjarige] als hij bij de vrouw verblijft. Tot slot heeft ook [minderjarige] zelf aangegeven de meeste tijd bij de vrouw door te willen brengen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen, toewijzen. Het verzoek van de man [minderjarige] aan hem toe te vertrouwen zal worden afgewezen.

3.8

Gelet op de hiervoor vermelde informatie en de onduidelijkheid die er nog is over de situatie van de man is de rechtbank van oordeel dat de door de man verzochte co-ouderschapsregeling een te uitgebreide regeling is die niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal, in het belang van [minderjarige], een zorgregeling bepalen waarbij er wekelijks enkele uren contact is tussen de man en [minderjarige], met een opbouw. Dit sluit aan bij de laatste contacten die tussen hen hebben plaatsgevonden, en daarvan staat tussen partijen vast dat dat goed is verlopen. Het verzoek van de man zal dus worden toegewezen met dien verstande dat [minderjarige] ieder weekend bij de man verblijft, de ene week op zaterdag en de andere week op zondag:

- de eerste maand: gedurende drie uur;

- de tweede maand: gedurende vier uur;

- vanaf de derde maand: gedurende zes uur.

Het is aan partijen om in onderling overleg de exacte tijden waarop het contact zal plaats vinden, af te spreken. Het staat partijen verder vrij nadere afspraken te maken over de zorgregeling als zij het daarover eens zijn en waarbij de belangen van [minderjarige] voorop moeten staan. Een verdere uitbreiding (inclusief overnachting) kan pas plaatsvinden nadat het hulpverleningstraject waar partijen naar zullen worden verwezen is gestart en meer informatie bekend is over de veiligheid bij de man en zijn woonsituatie.

3.9

De rechtbank zal het uitsluitend gebruik van de woning toewijzen aan de vrouw en overweegt daartoe dat doordat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw, zij het meeste belang heeft bij het gebruik van de woning. Het is van belang dat voor [minderjarige] rust komt en hij kan terugkeren naar zijn vertrouwde omgeving in de echtelijke woning. De huidige situatie waarbij [minderjarige] bij de buren van partijen verblijft, is absoluut niet in zijn belang. Het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning zal dus worden toegewezen. Het verzoek van de man wordt daarmee afgewezen.

Uniform Hulp Aanbod

3.10

Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat de communicatie tussen partijen slecht verloopt en dat er veel spanningen zijn tussen hen. Zij kijken ook anders aan tegen hoe het met [minderjarige] gaat. Volgens de vrouw gaat het niet goed met hem, terwijl het volgens de man wel goed gaat met [minderjarige]. Het lukt hen niet tot een constructief overleg te komen en de rechtbank heeft niet de verwachting het hen op dit moment lukt om samen beslissingen te nemen over [minderjarige]. De rechtbank acht het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 16 juli 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

3.11

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;

- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).

3.12

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/450172 FA RK 26-3538. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van zes maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

3.13

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige].

3.14

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

3.15

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

3.16

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/450172 FA RK 26-3538 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?

- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de

minderjarige?

- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?

3.17

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

3.18

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

3.19

De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Kinder- en partneralimentatie

3.20

De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat zij en [minderjarige] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.

3.21

De man voert verweer.

3.22

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte van [minderjarige]

3.23

Tussen partijen staat vast dat voor de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) en de behoefte van [minderjarige] moet worden uitgegaan van hun inkomens in 2025 en de tarieven van 2026.

3.24

Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man zijn partijen het erover eens dat uit moet worden gegaan van een inkomen van € 71.148,= bruto per jaar, op grond van de jaaropgaaf van de man van 2025. Rekening houdend met dat inkomen, van toepassing zijnde heffingskortingen en de verschuldigde inkomstenbelasting, bedraagt het NBI van de man € 4.135,= per maand.

3.25

Partijen zijn het er op de zitting verder over eens geworden dat voor de berekening van het NBI van de vrouw in het kader van deze procedure uit kan worden gegaan van het gemiddelde van het door hen beiden berekende NBI, namelijk € 1.125,= per maand en

€ 1.082,= per maand. De rechtbank zal gelet daarop uitgaan van een gemiddeld NBI van afgerond € 1.104,= per maand.

3.26

Ter zitting is onweersproken door de vrouw aangegeven dat partijen tijdens hun samenleving nooit kindgebonden budget hebben ontvangen. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met een bedrag aan kindgebonden budget.

3.27

Het NBGI van partijen bedraagt dan € 5.239,= per maand. Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] van € 711,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag.

Draagkracht van de vrouw

3.28

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar inkomen in 2025 volgend uit haar jaaropgaven van dat jaar, ter hoogte van € 9.292,=, € 3.916,= en € 103,=, alsmede haar winst uit haar eenmanszaak in 2025, ter hoogte van € 4.907,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, heffingskortingen, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 6.720,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.065,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan volgens de formule € 96,= per maand.

Draagkracht van de man

3.29

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn inkomen volgend uit zijn jaaropgaaf van 2025, ter hoogte van € 71.148,=. Rekening houdend met dat inkomen, de van toepassing zijnde heffingskortingen en de verschuldigde inkomstenbelasting, bedraagt het huidige NBI van de man € 4.135,= per maand.

3.30

Ter zitting is besproken of moet worden afgeweken van het woonbudget in het geval het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegewezen, en in dat geval moet worden uitgegaan van dubbele woonlasten. Hoewel de advocaat van de vrouw heeft aangegeven dat de vrouw zelf de woonlasten van de echtelijke woning van ongeveer € 700,= per maand kan dragen, vraagt de rechtbank zich af of dat haar daadwerkelijk gaat lukken, gelet op haar lage inkomen en haar woonbudget van € 447,= per maand. Het is in het belang van partijen dat er rust komt. Om verdere discussie tussen partijen over de betaling van woonlasten te voorkomen, ziet de rechtbank aanleiding tot uitgangspunt te nemen dat de man, naast de lasten voor vervangende woonruimte voor hemzelf, de lasten van de woning zal blijven betalen. De rechtbank zal daarom aan de zijde van de man rekening houden met een totale woonlast van € 1.940,= per maand. Dit bestaat uit zijn woonbudget van € 1.240,= per maand, alsmede de woonlast van de echtelijke woning van, zoals hij zelf op de zitting heeft aangegeven, € 700,= per maand.

3.31

De draagkracht van de man bedraagt dan volgens de formule € 581,= per maand.

Geen draagkrachtvergelijking

3.32

Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van [minderjarige].

Zorgkorting

3.33

Gelet op de hiervoor vastgestelde zorgregeling heeft de man gemiddeld minder dan één dag per week de zorg voor [minderjarige], zodat een zorgkorting geldt van 5%. Aangezien de behoefte van [minderjarige] € 711,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 36,= per maand.

3.34

Omdat sprake is van een tekort aan draagkracht van partijen om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, kan slechts een bedrag van € 19,= aan zorgkorting worden verzilverd. Het aandeel van de man wordt verminderd met dat bedrag, zodat hij aan de vrouw een bijdrage moet voldoen ten behoeve van [minderjarige] van € 562,= per maand.

Ingangsdatum

3.35

De rechtbank ziet aanleiding deze verplichting tot betaling van de bijdrage te doen ingaan op de datum van deze beschikking.

Conclusie kinderalimentatie

3.36

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie toewijzen, in die zin dat zal worden bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw een bijdrage moet voldoen ten behoeve van [minderjarige] van € 562,= per maand.

Geen draagkracht voor partneralimentatie

3.37

Rekening houdend met voormelde financiële gegevens van de man en zijn aandeel in de kosten van [minderjarige] (inclusief zorgkorting) heeft de man geen draagkracht meer beschikbaar om nog een bijdrage te voldoen in het levensonderhoud van de vrouw. Het verzoek van de vrouw daartoe zal daarom worden afgewezen. De rechtbank zal gelet daarop, en in het kader van deze procedure betreffende voorlopige voorzieningen, niet verder ingaan op de (hoogte van de) behoefte van de vrouw aan een bijdrage.

Aanhechten van berekeningen

3.38

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres], te [woonplaats], en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;

4.2

bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] om [geboortedag] 2013;

4.3

bepaalt dat de man en genoemde [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar ieder weekend bij de man, de ene week op zaterdag en de andere week op zondag:

- de eerste maand: gedurende drie uur;

- de tweede maand: gedurende vier uur;

- vanaf de derde maand: gedurende zes uur, waarbij de exacte tijdstippen in onderling overleg worden bepaald;

4.4

verwijst partijen en genoemde [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;

4.5

verzoekt het loket om uiterlijk op 2 februari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/450172 FA RK 26-3538 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;

4.6

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

4.7

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

4.8

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/450172 FA RK 26-3538 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.16 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

4.9

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;

4.10

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 562,= (vijfhonderdtweeënzestig euro) per maand, aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen;

4.11

verklaart de man niet-ontvankelijk in de volgende verzoeken:

- te bepalen dat beide ouders het contact tussen [minderjarige] en de andere ouder actief bevorderen en zich onthouden van negatieve beïnvloeding;

- te bepalen dat communicatie over [minderjarige] uitsluitend schriftelijk plaatsvindt, bij voorkeur via ouderschapsapp of e-mail;

- te bepalen dat de vrouw de man volledig informeert over de Indonesië-reis en dat [minderjarige] tijdens de reis vaste telefonische of videomomenten met de man heeft;

- te bepalen dat kindgebonden financiële aanspraken worden afgestemd op de feitelijke zorgverdeling;

4.12

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.