Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8337Zaaknummer C/02/450955 / FA RK 26-4017

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450955 / FA RK 26-4017
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voogdij

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1

belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, locatie Eindhoven met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van twee weken met ingang van 30 juli 2026 tot 13 augustus 2026;

5.2

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

houdt de behandeling van het restant van het verzoek aan;

5.4

roept de Raad, de grootouders, de tante en de GI op voor de zitting van mr. C. Phillips op [datum] 2026 om [uur] uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;

5.5

bepaalt dat afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor deze zitting voor de Raad, de GI en de grootouders;

5.6

bepaalt dat de tante per aparte brief wordt opgeroepen voor deze zitting;

5.7

bepaalt dat [minderjarige] via een aparte brief zal worden uitgenodigd voor een kindgesprek bij de kinderrechter op het adres van de grootouders;

5.8

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450955 / FA RK 26-4017

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Zeeland–West-Brabant, Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

Familie [de grootouders],

hierna te noemen: de grootouders,

wonende te [plaats],

Leger des heils Jeugdbescherming & Reclassering,

de Gerectificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Eindhoven.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de tante],

hierna te noemen: de tante,

verblijvende in het revalidatiecentrum te [plaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het schriftelijke spoedverzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 30 juli 2026;
  • de bereidverklaring van de GI van 30 juli 2026.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] heeft geen verblijfsstatus in Nederland.

2.2.

Niet vastgesteld kan worden of de tante (vaderszijde) voogdij over [minderjarige] heeft nu ten aanzien van de beschikking van [geboorteplaats] niet om erkenning is gevraagd in Nederland.

2.3.

[minderjarige] staat op dit moment niet onder het wettelijk vereiste gezag.

2.4.

[minderjarige] verblijf bij de grootouders in Nederland.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2.

De GI heeft zich in de verklaring van 30 juli 2026 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] uit te voeren.

4 De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] de Surinaamse nationaliteit heeft. Tot op heden verblijft zij illegaal in Nederland. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.

4.2.

Op grond van artikel 7 van de Verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.

4.3.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Voorlopige voogdij

4.4

Op grond van het tweede lid van artikel 1:241 BW kan de kinderrechter op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen.

4.5

Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een beschikking betreffende een voorlopige voogdij aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Volgens vaste rechtspraak kan de maatregel van schorsing van de voogdij eveneens worden uitgesproken zonder voorafgaand verhoor.

4.6

Op basis van de informatie zoals weergegeven in het verzoekschrift is de kinderrechter van oordeel dat het dringend en onmiddellijk noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening van [minderjarige] te voorzien om haar belangen te kunnen behartigen.

4.7

De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige]. Gebleken is dat er sprake is van een gezagsvacuüm. Uit de informatie zoals die nu bekend is, blijkt dat [minderjarige] tot haar vijfde levensjaar in [geboorteplaats] heeft gewoond. Haar biologische moeder is overleden waarna de tante (vaderszijde) de zorg over [minderjarige] op zich heeft genomen. Dit zou zijn vastgelegd in een voogdijbeschikking in [geboorteplaats]. Doordat [geboorteplaats] niet is aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996, komt de beslissing niet op grond van dat verdrag in aanmerking voor erkenning in Nederland. De tante heeft ook nooit aan de Nederlandse rechter om erkenning van de beslissing van [geboorteplaats] gevraagd. Hierdoor wordt de Surinaamse beslissing niet erkend en staat [minderjarige] formeel niet onder het vereiste wettelijke gezag.

4.8

De tante en [minderjarige] zijn zeven jaar geleden naar Nederland gekomen en verblijven hier tot op heden illegaal. Zij wonen bij de grootouders die wel legaal in Nederland wonen. De tante heeft in december 2025 een hersenbloeding gehad waarna ze tot op heden in een revalidatiecentrum verblijft en de grootouders de zorgtaken van [minderjarige] op zich hebben genomen. De situatie bij de grootouders thuis is echter onhoudbaar geworden en hun belastbaarheid wordt ernstig overschreden. Dit heeft geleid tot fysiek geweld tussen [minderjarige] en opa en betrokkenheid van de politie. Het is van belang dat er zo spoedig mogelijk hulpverlening kan worden opgestart en dat er kan worden gekeken naar een plek voor [minderjarige]. Er moeten noodzakelijke dingen voor [minderjarige] geregeld worden en het reeds opgestarte raadsonderzoek kan daarom niet worden afgewacht.

4.9

Nu aan de wettelijke vereisten wordt voldaan en nu de GI instemt met de voogdij zoals blijkt uit voormelde verklaring, wijst de kinderrechter het verzoek toe en belast de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige], vooralsnog voor de duur van twee weken. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden tot de hierna in het dictum vermelde zitting. De Raad, de GI, de grootouders en de tante worden alsdan alsnog in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.10

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_feed932f-c18d-4aa6-91ea-13ce7e616989]

4.11

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is

verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1

belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, locatie Eindhoven met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van twee weken met ingang van 30 juli 2026 tot 13 augustus 2026;

5.2

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

houdt de behandeling van het restant van het verzoek aan;

5.4

roept de Raad, de grootouders, de tante en de GI op voor de zitting van mr. C. Phillips op [datum] 2026 om [uur] uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;

5.5

bepaalt dat afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor deze zitting voor de Raad, de GI en de grootouders;

5.6

bepaalt dat de tante per aparte brief wordt opgeroepen voor deze zitting;

5.7

bepaalt dat [minderjarige] via een aparte brief zal worden uitgenodigd voor een kindgesprek bij de kinderrechter op het adres van de grootouders;

5.8

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.