Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8328Zaaknummer C/02/450520 / JE RK 26-1301

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450520 / JE RK 26-1301
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing machtiging tot uithuisplaatsing na verleende spoedmachtiging. Jonge moeder sluit goed bij minderjarige aan maar kan de veiligheid op dit moment onvoldoende waarborgen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin) of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 juli 2026 tot 30 oktober 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het resterende deel van het spoedverzoek af;

6.4.

houdt het resterende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan tot de nadere zitting – met gesloten deuren – op [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Pellikaan), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda;

6.5.

verzoekt de GI uiterlijk 5 oktober 2026 een verslag in te dienen over de actuele stand van zaken;

6.6.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat en de GI;

6.7.

vraagt de griffier de vader in zijn hoedanigheid als informant op te roepen voor die zitting;

6.8.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. M. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van I.H.E. van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450520 / JE RK 26-1301

Datum uitspraak: 30 juli 2026

(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd in Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. J. Nederlof, kantoorhoudende in Tilburg.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 juli 2026 en alle daarin genoemde stukken.

1.2.

Op 30 juli 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw [persoon], GZ psycholoog van Sterk Huis.

1.3.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 11 maart 2026 met ingang van die datum onder toezicht gesteld van de GI tot 11 maart 2027.

2.3.

Bij beschikking van 20 juli 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 juli 2026 tot 3 augustus 2026. De behandeling van het resterende verzoek is aangehouden.

2.4.

Op basis van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.

3 Het verzoek

3.1.

Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI om een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsing in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken.

3.2.

De GI verzoekt aansluitend een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) of accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3.

De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

Namens de GI wordt aangevoerd dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] al is uitgesproken tijdens de zwangerschap vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van het ongeboren kind. De zorgen zagen met name op de conflictueuze relatie tussen de moeder en de vader. In het weekend van 18 en 19 juli 2026 is een ernstige veiligheidsescalatie ontstaan. De moeder verbleef met [minderjarige] met verlof bij haar ouders vanuit Sterk Huis. Tijdens deze periode heeft er contact tussen de moeder en de vader plaatsgevonden en is de moeder met [minderjarige] gedurende meerdere dagen uit beeld geraakt voor zowel haar ouders als de hulpverlening. In de nacht van zondag op maandag is de situatie verder geëscaleerd. De moeder heeft contact opgenomen met haar ouders vanuit een hotel en gaf aan opgehaald te willen worden. Er was op dat moment letsel zichtbaar bij de moeder.

De GI maakt zich ernstige zorgen over de directe en acute veiligheid van [minderjarige] en is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] op dit moment niet langer kan worden gewaarborgd binnen de verzorgingssituatie van de moeder. Ondanks de lopende ondertoezichtstelling, de plaatsing van de moeder en [minderjarige] bij Sterk Huis, de uitgebreide begeleiding en duidelijke veiligheidsafspraken, heeft de moeder opnieuw gekozen voor contact met de vader, waarna een ernstige geweldsescalatie heeft plaatsgevonden.

[minderjarige] is op basis van de spoedmachtiging geplaatst in een pleeggezin. Het gaat hier goed met haar. Na de spoeduithuisplaatsing heeft er meteen op woensdag contact tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden. Inmiddels hebben er twee contactmomenten plaatsgevonden en gezien wordt dat de moeder goed kan aansluiten bij [minderjarige] en goed voor haar kan zorgen. De GI heeft na de uithuisplaatsing ook geprobeerd in contact te komen met de vader. De vader heeft richting de GI kenbaar gemaakt dat hij al zijn hulpverlening stop heeft gezet. De GI vindt het van belang dat de vader de hulpverlening door Fivoor blijft accepteren. De vader is erg wisselvallig en daardoor onvoorspelbaar. Het is belangrijk dat hij aan zijn agressie gaat werken. Ook moet er zicht komen op de positie en rol van de vader.

De GI ziet dat de moeder ontzettend haar best doet en veel van [minderjarige] houdt. Echter wordt ook gezien dat het de moeder niet altijd lukt om de juiste keuzes te maken in het belang van [minderjarige]. Het doel van de GI is zeker dat [minderjarige] terugkeert bij de moeder. Hiervoor is het nodig dat moeder de veiligheid van [minderjarige] kan waarborgen. Op dit moment is de moeder echter nog onvoldoende weerbaar voor de vader. De GI acht het risico op herhaling onmiddellijk aanwezig. Er is sprake van een langdurige geweldsdynamiek tussen de ouders en eerdere hulpverlening heeft deze dynamiek onvoldoende kunnen doorbreken. De GI hoopt dat de moeder voldoende sterk wordt om de juiste keuzes te maken in het belang van [minderjarige] en in staat is de vader op afstand te houden.

4.2.

Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat zij begrijpt dat de GI zich zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige]. De spoedbeschikking is volgens de moeder op goede gronden gegeven. De moeder is nog erg jong en moet nog veel leren. Zij staat ook open voor hulpverlening. De moeder wil graag terugkeren naar Sterk Huis en is bereid code rood te accepteren. Dit betekent dat zij met niemand contact mag hebben, dus ook niet met de vader, en Sterk Huis niet mag verlaten zonder toestemming. Volgens de moeder kunnen er voorwaarden worden gecreëerd om de veiligheid te waarborgen en is het niet noodzakelijk om te wachten totdat de moeder weerbaar genoeg is richting de vader. [minderjarige] is nog erg jong en het is in haar belang dat zij zo snel mogelijk wordt herenigd met haar moeder. Primair wordt door de moeder verzocht het restant van de verzochte spoedmachtiging van twee weken toe te wijzen en het verzoek voor het overige af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing te bekorten in duur tot drie maanden.

5 De beoordeling

5.1.

Bij voornoemde beschikking van 20 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende.

5.2.

Tijdens de zitting van 30 juli 2026 is de moeder in de gelegenheid gesteld om haar standpunt kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dit betekent dat de spoedbeslissing op goede gronden is genomen.

5.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.4.

Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van een zeer zorgelijke situatie. Ondanks de ondertoezichtstelling, de plaatsing bij Sterk Huis en de gemaakte veiligheidsafspraken, heeft de moeder geen weerstand aan de vader kunnen bieden en [minderjarige] in een onveilige situatie gebracht. De moeder is hier niet eerlijk over geweest en zij heeft ook direct daarna geen inzicht gegeven over wat er precies is gebeurd. Vast staat wel dat zij samen met de vader was, van wie bekend is dat hij de moeder al vaker heeft bedreigd en mishandeld, ook tijdens de zwangerschap.

5.5.

Het betreft hier een jonge moeder die goed kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft en goed voor [minderjarige] kan zorgen. Zij heeft echter de veiligheid van [minderjarige] niet weten te waarborgen. De moeder moet nog stappen maken om weerbaarder te worden tegen de vader. Op dit moment heeft de kinderrechter er nog geen vertrouwen in dat de moeder voldoende weerstand kan bieden als de vader haar emotioneel of op andere wijze onder druk zet. Dit maakt dat de kinderrechter het op dit moment te vroeg vindt om [minderjarige] terug naar de moeder te laten gaan. [minderjarige] is nog een zeer jong kind en is volledig afhankelijk van haar opvoeder. De moeder heeft laten zien dat ze hulpverlening aanpakt en zich aan de veiligheidsafspraken kan houden. Zij heeft echter nog stappen te zetten in het op afstand houden van de vader. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook toewijzen, maar wel beperken in duur tot drie maanden, omdat zij het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk vindt dat er een tussentijds toetsmoment plaatsvindt.

5.6.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van drie maanden, te weten van 30 juli 2026 tot 30 oktober 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. In samenspraak met de GI en de moeder en haar advocaat is een nieuwe zittingsdatum bepaald op [datum] 2026 om [uur]. De GI wordt verzocht uiterlijk 5 oktober 2026 verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken, onder toezending van een afschrift van dat verslag aan de advocaat van de moeder.

5.7.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.8.

Nu de kinderrechter het verzoek om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, zal toewijzen, zal het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, worden afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin) of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 juli 2026 tot 30 oktober 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het resterende deel van het spoedverzoek af;

6.4.

houdt het resterende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan tot de nadere zitting – met gesloten deuren – op [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Pellikaan), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda;

6.5.

verzoekt de GI uiterlijk 5 oktober 2026 een verslag in te dienen over de actuele stand van zaken;

6.6.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat en de GI;

6.7.

vraagt de griffier de vader in zijn hoedanigheid als informant op te roepen voor die zitting;

6.8.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. M. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van I.H.E. van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.