Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8318Zaaknummer C/02/450385 / KG ZA 26-392

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450385 / KG ZA 26-392
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding, Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming vakantie. Vrouw eerder met kinderen ongeoorloofd van/naar buitenland vertrokken. Man uit zorgen dat vrouw herhaalt. Vrouw wil verblijfplaats niet bekend maken uit vrees veiligheid. Voorgenomen vakantie onvoldoende concreet.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering van de vrouw af;

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is mondeling gewezen door mr. Tempel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vordering en de standpunten
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/450385 / KG ZA 26-392

Vonnis in kort geding van 30 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in dit arrondissement,

eiseres,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

ter zitting waargenomen door kantoorgenoot mr. S.J.C. Marijnissen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk.

ter zitting waargenomen door kantoorgenoot mr. B. Krijnen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 juli 2026 met producties;

- de brief mr. Gulickx van 28 juli 2026 met producties;

- de conclusie van antwoord van 28 juli 2026 met producties;

- de zitting op 30 juli 2026.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de zitting zijn verschenen de waarnemend advocaat van de vrouw en de man en zijn waarnemend advocaat. De vrouw is, hoewel opgeroepen, niet tijdens de zitting verschenen. Haar waarnemend advocaat heeft daartoe aangegeven dat de vrouw, na een daartoe door de voorzieningenrechter gehonoreerd verzoek, digitaal met een videoverbinding bij de zitting zou aansluiten, maar dat zij hiertoe door ziekte niet in staat is.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Uit de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt, anders dan in de dagvaarding vermeld, dat partijen gehuwd zijn. Er is een echtscheidingsprocedure aanhangig (bekend onder zaaknummer C/02/438414/ FA RK 25-3996). Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021 (hierna: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023 (hierna: [minderjarige 2] ).

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

2.3.

Bij beschikking van 9 juni 2026 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd en de man en de kinderen gerechtigd zijn tot begeleid contact met elkaar, onder regie van de Gezinsmanager.

2.4.

Partijen en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De vordering en de standpunten

3.1.

De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij wijze van onmiddellijke voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, toestemming verleent om in de periode van 13 juli 2026 tot en met 30 augustus 2026 met de kinderen te reizen met de auto naar Spanje en dus ook vervangende toestemming verleent voor haar verblijf in België en Frankrijk en Spanje voor de duur van twee weken, kosten rechtens.

3.2.

Ter toelichting op haar vordering stelt de vrouw in de dagvaarding, samengevat, dat zij voornemens is in de gevorderde periode met de kinderen voor de duur van twee weken op vakantie te gaan naar Spanje met de auto. Zij zal een doorreis maken via België en Frankrijk met rustpauzes dan wel overnachtingen. De man heeft zijn toestemming voor een vakantie geweigerd. De weigering is volgens de vrouw gelegen in het feit dat zij in het verleden zonder zijn toestemming en medeweten naar Tunesië is vertrokken met de kinderen. Het vertrouwen van de man is hierdoor geschaad en hij vreest dat de vrouw niet of verlaat terugkeert naar Nederland. Ook baseert de man zijn weigering op voornoemde beschikking van 9 juni 2026, waarin is overwogen dat het van belang is dat het contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld.

Uitgangspunt is dat het in het belang van de kinderen is om met een ouder op vakantie te gaan. De vrees van de man is ongegrond. Haar eerdere handelen was ingegeven door de veiligheid voor haarzelf en de kinderen. Zij was met de kinderen de man ontvlucht wegens fysiek en psychisch geweld van de man naar haar. Zij is naar Nederland teruggekeerd met ondersteuning van het Landelijk knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating, Sterk Huis en de politie. De vrouw beschikt over een eigen woning en zij erkent dat de toekomst van de kinderen in Nederland ligt. Zij heeft niet de intentie zich in het buitenland te vestigen. De voorgenomen reis is uitsluitend bedoeld voor een tijdelijke vakantie.

Partijen zijn eerder een vakantieregeling overeengekomen waarbij de kinderen in de zomervakantie drie weken aaneengesloten bij de vrouw verblijven. De voorgenomen vakantie doorkruist niet hetgeen in de beschikking van 9 jun 2026 over het contactherstel tussen de man en kinderen is bepaald. De vrouw is bereid openheid te geven om de terugkeer naar Nederland te waarborgen en mee te werken aan het kenbaar maken van haar actuele verblijfsgegevens gedurende de reis aan de rechtbank en eventueel de politie, met inachtneming van de veiligheid van haar en de kinderen.

3.3.

Bij voormelde brief van 28 juli 2026 heeft de advocaat van de vrouw nog enkele producties toegezonden en deze producties toegelicht. Kort samengevat blijkt hieruit dat er nog geen (fysiek) begeleid contact tussen de man en de kinderen heeft plaatsgevonden. De vrouw toont zich steeds bereid haar medewerking te verlenen aan het contact maar is voor de uitvoering daarvan afhankelijk van de GezinsManager.

3.4.

Tijdens de zitting is namens de vrouw aanvullend en samengevat het volgende verklaard.

De vrouw is meer concreet voornemens om van 31 juli tot 24 augustus 2026 op vakantie te gaan. Zij wil met de kinderen een autoreis naar Noord- of Midden Spanje maken met een doorreis via België en Frankrijk. Mogelijk moet de vrouw omrijden via Zwitserland vanwege de huidige bosbranden in Frankrijk maar zij doet dat niet als dat niet noodzakelijk is. De Aware-knop die de vrouw heeft werkt niet in het buitenland, maar de veiligheid is gewaarborgd als de vrouw kan volstaan met (onderweg) aan te geven in welk land zij verblijft. Zij wil niet aan de man kenbaar maken in of rondom welke stad zij in Spanje wil verblijven. Wel is zij bereid om de rechtbank hierover te informeren. De vrouw kan niet in Nederland blijven voor vakantie omdat de man weet waar zij woont. Het doel van haar voorgenomen reis naar Spanje is vakantie. Gelet op wat er allemaal gebeurd is wil zij even vakantie en rust hebben met de kinderen. De vrouw wilde eerst met de kinderen naar Tunesië gaan. Zij zou met haar familie meereizen. Haar familie is echter al naar Tunesië vertrokken. Zij wil daarom nu naar Spanje. Zij gaat met haar nichtjes mee en zal niet zelf met de auto rijden. Dat de man haar al even niet gezien zou hebben is niet vreemd omdat er een straat- en contactverbod is. De vrouw wilde dat het fysieke, begeleide contact tussen de man en de kinderen eerder kon starten. Er is echter tegen haar verteld dat hiervoor eerst een concreet plan moest worden opgesteld. Dat maakt niet dat de vrouw niet met de kinderen op vakantie zou kunnen. Het is niet aan haar te wijten dat de fysieke, begeleide contacten later worden opgestart.

3.5.

De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vordering dan wel tot afwijzing daarvan, althans een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter redelijk en juist acht.

3.6.

Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, samengevat, het navolgende aan.

In voormelde beschikking van 9 juni 2026 is overwogen dat de rechtbank ervan uitgaat dat het eerste fysieke, begeleide contact tussen de man en de kinderen voor de start van de zomervakantie op 10 juli 2026 zal plaatsvinden, mits dit volgens de GezinsManager veilig kan. Tijdens de zitting op 28 mei 2026 heeft de vrouw niet gerept over haar wens om in de zomervakantie met de kinderen naar Tunesië te gaan. De man heeft gerechtvaardigde zorgen over de terugkeer van de kinderen naar Nederland vanuit Tunesië. De vrouw heeft de kinderen eind 2024 ongeoorloofd vanuit Tunesië naar Nederland overgebracht. Dit heeft het vertrouwen van de man in de vrouw ernstig aangetast. Het abrupt verbreken van het contact tussen hem en de kinderen door de vrouw heeft zijn vertrouwen verder aangetast. De vrouw vordert thans dat zij met de kinderen naar Spanje wil afreizen. Dit zou betekenen dat het traject bij de GezinsManager wordt doorkruist. De eerste fase van het contactherstel, het sturen van een kaart en cadeautjes, is inmiddels doorlopen. De verwachting is dat het eerste fysieke contactmoment op korte termijn zal plaatsvinden. De beoogde vakantie van de vrouw zal voor extra vertraging zorgen. Daarnaast zijn er zo veel zorgen dat een onderzoek moet plaatsvinden door de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), waarbij de betrokkenheid van het Landelijk Expertisecentrum Eer Gerelateerd Geweld meespeelt. De vrouw kan daarom niet met de kinderen naar het buitenland vertrekken, zeker nu zij niet bereid is om haar concrete verblijfsgegevens te delen. De man begrijpt het uitgangspunt dat het in het belang van kinderen is om met een ouder op vakantie te gaan. De huidige situatie maakt echter dat het belang van die vakantie niet zwaarder weegt dan het belang van de veiligheid van de kinderen en de continuïteit van het contact tussen de kinderen en de man. Hij betwist dat er sprake is geweest van fysiek en psychisch geweld richting de vrouw. De vrouw lijkt weer te willen vluchten. De man kan er niet van op aan dat dit vertrek van de vrouw niet definitief zal zijn, zeker nu in de bodemprocedure een onderzoek door de Raad is gelast. Het voorstel van de vrouw om aan de rechtbank en indien nodig de politie haar actuele verblijfsgegevens kenbaar te maken gedurende de reis is onuitvoerbaar en ongebruikelijk. De man heeft als gezaghebbende ouder recht om te weten waar de kinderen verblijven als zij met de vrouw in het buitenland zijn. Dat de vrouw verzoekt om haar exacte verblijfsadressen niet aan hem bekend te maken gelet op de voorgeschiedenis kan de man niet volgen. Hij is bekend met de woonplaats van de vrouw maar maakt geen enkele aanstalten om haar of de kinderen te benaderen. De man betwist dat partijen een vakantieregeling zijn overeengekomen. De rechtbank heeft een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waaraan partijen in ieder geval tot de uitkomst van het onderzoek van de Raad uitvoering moeten geven. De man is gezien dit alles niet bereid is om de benodigde toestemming aan de vrouw te verlenen.

3.7.

Tijdens de zitting is van de zijde van de man aanvullend en samengevat het volgende verklaard.

De grootste zorg van de man is dat de vrouw na afloop van haar vakantie niet met de kinderen naar Nederland zal terugkeren, gelet op de voorgeschiedenis en de huidige situatie. Nu de rechtbank bij beschikking van 9 juni 2026 heeft beslist dat het contact tussen de man en de kinderen moet worden opgestart, de vrouw meerdere aangiften tegen de man heeft gedaan en de Raad onderzoek gaat doen, vindt de man de timing van de vrouw voor een vakantie vreemd. Zij zou eerst naar Tunesië gaan en zij wil nu met de auto naar Spanje gaan. De vrouw heeft echter haar rijbewijs nog niet zo lang en zij heeft niet veel rijervaring. De verhalen van de vrouw wisselen steeds. Nu ter zitting komt naar voren dat zij mogelijk via Zwitserland rijdt en dat zij met haar nichtjes meerijdt. De vrouw heeft echter geen nichtjes, maar slechts één nichtje dat in Frankrijk woont en waar zij geen contact mee heeft. Daarbij komt dat het traject van fysieke, begeleide contact tussen de man en de kinderen in augustus 2026 gaat starten. Daar past een vakantie in het buitenland nu niet bij en doorkruist bovendien dit traject. Wanneer er structuur zit in het contact tussen de man en de kinderen kunnen er afspraken over een vakantie worden gemaakt. De man vraagt zich af waarom de vrouw niet met de kinderen op vakantie in Nederland kan gaan. Wanneer zij zo angstig is voor de man zoals zij stelt, zou zij juist blij moeten zijn als de Aware knop werkt. Als de vrouw in Nederland op vakantie gaat kan het traject van begeleid contact ook worden opgestart. De man twijfelt of de vrouw op dit moment wel in Nederland verblijft. Hij heeft haar al enkele weken niet meer gezien. Ook de stiefvader van de vrouw heeft bij hem aangegeven dat zij niet meer langskomt en in het buitenland zou verblijven.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door en/of namens partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast. Dit belang heeft een extra spoedeisend karakter gekregen nu tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw op 31 juli 2026 op vakantie wenst te gaan. Het spoedeisend belang is door of namens de man niet betwist.

4.3.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.4.

Zoals partijen ook al hebben aangevoerd is het uitgangspunt dat het in het belang van (de ontwikkeling van) een kind is om van tijd tot tijd met beide of, wanneer de ouders uit elkaar zijn, één van de ouders op vakantie te kunnen gaan. Alleen wanneer sprake is van contra-indicaties met een zeker gewicht, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken en kan een vakantie in rechte worden geweigerd.

4.5.

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen een vakantie met de vrouw naar Spanje. De voorzieningenrechter ziet in procedures die haar worden voorgelegd vaker dat een ouder zorgen uit over het voornemen van de andere ouder om met hun kind(eren) in het buitenland te verblijven. Een zekere mate van ongerustheid is daarin best voorstelbaar vanuit betrokkenheid voor de kinderen. De zorgen blijken in veel gevallen in algemene zin onderbouwd. In deze zaak ziet de voorzieningenrechter dat anders. De zorgen van de man zijn concreet. De vrouw is al eerder met de kinderen naar/van Tunesië vertrokken zonder medeweten dan wel toestemming van de man. De vrouw erkent dat ook. Het is in dat geval te begrijpen dat er bij de man een drempel is ontstaan en dat zijn vertrouwen in de vrouw hierdoor is aangetast. Dit heeft tot gevolg dat de man voor een door de vrouw voorgenomen vakantie met de kinderen naar het buitenland niet makkelijk zomaar zijn toestemming zal verlenen. De vrouw daarentegen stelt dat zij en de kinderen hun leven en hun toekomst in Nederland hebben en zien. De voorzieningenrechter ziet inmiddels geen risico op onttrekking meer. De stelling van de vrouw dat de kinderen inmiddels hun leven in Nederland hebben en zijzelf ook, is mede door het tijdsverloop nu voldoende voor de voorzieningenrechter. Het verleden maakt echter wel heel begrijpelijk dat de man deze zorgen wel heeft en zijn toestemming niet heeft gegeven.

Aan de andere kant vordert de vrouw toestemming te verlenen voor een plan dat ook na de toelichting ter zitting niet concreet is. De vrouw stelt dat zij voor haar veiligheid en die van de kinderen geen verdere details kan geven. Zij geeft enkel aan in Spanje te willen verblijven, maar niet concreet in welk gebied/regio/stad/plaats. Dat de vrouw voorstelt om haar verblijfplaats enkel bij de rechtbank kenbaar te maken doet daaraan niet af. De voorzieningenrechter kan namelijk geen kennis nemen van informatie die aan de wederpartij onthouden wordt. Daarbij komt dat eerst ter zitting is gebleken dat het een vakantie met meerdere mensen (buiten de moeder en de kinderen) betreft. Dit staat niet in de vordering vermeld en is niet met de man besproken. Dit geldt eveneens voor het ter zitting naar voren gebrachte plan van de vrouw om mogelijk via Zwitserland naar Spanje te rijden. Het voorgenomen plan van de moeder is gelet hierop onvoldoende concreet om daaraan toestemming te verbinden voor de voorzieningenrechter.

Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de man de intentie heeft om de vrouw dwars te liggen vanuit de ex-partnerstrijd waar het om de vakantie gaat. De man heeft begrip getoond voor het uitgangspunt dat een vakantie met de andere ouder in het belang van de kinderen is, maar zijn zorgen zijn groot.

Gelet op het bovenstaande verleent de voorzieningenrechter geen vervangende toestemming voor de vakantie van de vrouw met de kinderen naar het buitenland. Het is de moeder evenwel uiteraard toegestaan om met de kinderen op vakantie binnen Nederland te gaan. De man heeft gesteld dat in dat geval de vrouw een eventueel nog te plannen begeleid contact tussen de man en de kinderen kan uitvoeren, als zij in Nederland op vakantie is. Nu het een vakantie betreft kan echter niet van de moeder worden gevraagd om haar vakantie hiervoor te onderbreken, naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Uiteraard zal er wel tot een eerste afspraak voor een fysiek begeleid contact moeten worden gekomen uiteindelijk, zoals bepaald in de beschikking van 9 juni 2026. Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

4.6.

Gelet op de familierechtelijk relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering van de vrouw af;

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is mondeling gewezen door mr. Tempel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.