Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8313Zaaknummer C/02/450502 / JE RK 26-1299
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/450502 / JE RK 26-1299
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Machtiging gesloten jeugdhulp 3 maanden, met aanhouding van resterende 3 maanden - kinderrechter verlangd geïnformeerd te worden over o.a. ingezette behandeling en mogelijkheid tot inzet van hulpverlening in de thuissituatie.
7 De beslissing
De kinderrechter:
C/02/450501 / JE RK 26-1298 (spoed)
wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af;
C/02/450502 / JE RK 26-1299 (regulier)
verleent een machtiging om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 30 juli 2026 tot 30 oktober 2026;
houdt aan het resterende deel van het verzoek tot de nadere zitting van [datum] 2026 te [uur] uur bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Van Gessel), locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor deze nadere zitting voor de GI, [minderjarige 1], haar advocaat en de moeder;
gelast de griffier om de vader bij separate brief op te roepen voor deze vervolgzitting;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. W. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.G. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/450501 / JE RK 26-1298 (spoed)
C/02/450502 / JE RK 26-1299 (regulier)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[minderjarige 1],
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1].
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het (verdere) procesverloop
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 17 juli 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- het bericht met bijlage van de GI van 28 juli 2026, betreffende een instemmingsverklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper;
- de pleitnota van mr. Van Laarhoven, overhandigd tijdens de zitting.
Op 30 juli 2026 heeft de kinderrechter het verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- [minderjarige 1], die apart is gehoord, bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de vader niet bij de zitting verschenen.
2 De feiten
Bij beschikking van 10 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 17 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 1] verleend met ingang van 17 juli 2026 tot 31 juli 2026, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
Op grond van voormelde spoedmachtiging verblijft [minderjarige 1] bij [accommodatie] te [plaats].
3 De (resterende) verzoeken
Thans liggen de volgende resterende verzoeken nog ter beoordeling voor:
Spoed
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de (resterende) duur van twee weken.
Regulier
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van
zes maanden.
4 Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] kent een beladen voorgeschiedenis met meerdere ingrijpende gebeurtenissen en periodes van instabiliteit. Bij haar is sprake van hechtingsproblematiek. Zij is beïnvloedbaar en bevindt zich in een sociale omgeving met middelengebruik. Zij gaat niet meer naar school. Er bestaan al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie van haar, met meerdere meldingen bij Veilig Thuis tot gevolg. In de afgelopen periode is er duidelijk sprake van een toename in risicovol, zelfbepalend en grensoverschrijdend gedrag.
In de thuissituatie heeft [minderjarige 1] zich aan het gezag van de moeder onttrokken. [minderjarige 1] weigert afspraken te maken, accepteert geen veiligheidsafspraken en is niet bereikbaar voor hulpverlening. Zij begeeft zich in onveilige situaties met risico’s voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid. De inzet van hulpverlening in de thuissituatie, zoals MST-CAN, heeft geen resultaat gehad. [minderjarige 1] heeft rust en stabiliteit nodig wat haar in de thuissituatie niet geboden kan worden. De neerwaartse spiraal die [minderjarige 1] laat zien moet worden doorbroken en verder afglijden moet worden voorkomen. Dit is alleen met een gesloten plaatsing te realiseren.
Een verblijf op een open groep is niet haalbaar gelet op het weglooprisico, het ontbreken van toezicht, negatieve beïnvloeding door anderen, het weigeren van het maken van afspraken en het risico op gebruik van middelen. Bovendien is in een open setting het uitvoeren van diagnostisch onderzoek niet uitvoerbaar. Eerder is gebleken dat [minderjarige 1] bij Sterk Huis is weggelopen. Een terugkeer naar huis behoort op dit moment niet tot de mogelijkheden.
In de komende periode zal de behandeling van [minderjarige 1] op gang moeten komen. Er zullen doelen worden opgesteld om meer zelfredzamer te worden, waarvoor binnen [accommodatie] reeds een eerste afspraak is gepland. Hoewel de gedragswetenschapper instemt met drie maanden, handhaaft de GI het verzoek voor de duur van zes maanden. De GI acht een periode van drie maanden niet realistisch om tot het behalen van behandeldoelen te komen. De GI zal daarnaast in de komende periode de overgelegde stukken updaten en zo nodig aanpassen. De huidige jeugdbeschermer is pas sinds juni 2026 betrokken en heeft hiervoor eerder geen ruimte gehad.
Desgevraagd bevestigt de GI dat [minderjarige 1] een vrijstelling heeft van volgen van onderwijs tot maart 2027. De GI is ervan op de hoogte dat [minderjarige 1] werkt bij een viskraam op de markt. De GI is betrokken geweest bij de gesprekken met de werkgever van [minderjarige 1]. Ook met de moeder heeft de GI nauw contact. De GI benadrukt dat een terugkeer van [minderjarige 1] naar huis nu niet in haar belang is. Dit is voor haar onveilig, ook gelet op de dynamiek in het gezin.
5 Het standpunt van belanghebbenden en informant
[minderjarige 1] vertelt de kinderrechter, kort samengevat, dat zij het liefste terug naar haar moeder zou gaan. Als dit niet mogelijk is, dan vindt [minderjarige 1] dat de gesloten plaatsing niet langer dan drie maanden zou moeten duren. Volgens [minderjarige 1] krijgt zij op dit moment bij [accommodatie] geen behandeling. Zij heeft een goed contact met de groepsleiding, maar zij voert geen inhoudelijke gesprekken over hoe het met haar gaat. Als [minderjarige 1] naar huis zou gaan, zou zij weer willen gaan werken bij de viskraam. Dit werk vindt zij leuk en hiermee wil zij graag verder. [minderjarige 1] merkt nog op dat haar moeder altijd geweten heeft waar zij was. In de nacht van donderdag op vrijdag, voorafgaande aan de spoedmachtiging, heeft [minderjarige 1] de moeder via WhatsApp laten weten bij wie zij was. De moeder heeft pas de volgende ochtend op het app-bericht gereageerd. Van weglopen was dan ook geen sprake.
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat [minderjarige 1] op dit moment niet naar huis kan. De moeder staat achter het verzoek. Gedwongen hulpverlening is nodig, omdat [minderjarige 1] in het vrijwillig kader geen hulpverlening accepteert. De moeder denkt dat een periode van drie maanden hiervoor te kort is. Volgens de moeder is [minderjarige 1] een gevaar voor zichzelf. [minderjarige 1] luistert niet en houdt zich niet aan afspraken. De moeder ziet hoe [minderjarige 2], de zus van [minderjarige 1], profiteert van haar gesloten plaatsing. De moeder hoopt dat een gesloten plaatsing op [minderjarige 1] hetzelfde effect zal hebben.
Namens [minderjarige 1] voert mr. Van Laarhoven, samengevat, het volgende aan. De kinderrechter wordt verzocht om het verzoek af te wijzen. [minderjarige 1] wil naar huis. In de thuissituatie kan hulpverlening worden ingezet. Een gesloten plaatsing dient te gelden als ultimum remedium. In het geval van [minderjarige 1], bij wie sprake is van hechtingsproblematiek, moet de vraag worden gesteld of een gesloten plaatsing niet schadelijker is voor haar ontwikkeling dan een terugkeer naar huis. Daarbij komt dat de problematiek van [minderjarige 1] zeer beperkt bij haarzelf ligt, maar met name te maken heeft met de pedagogische opvoedingsomgeving waarbij hulpverlening steeds niet van de grond komt. Zo is [de observatieafdeling] gestaakt door de opstelling van de primaire opvoeder en is hulpverlening van De Viersprong niet van de grond gekomen door het wegvallen van medewerking van de moeder. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken niet wat er recent aan hulpverlening is ingezet nadat [minderjarige 2], de zus van [minderjarige 1], uit huis is geplaatst en ook blijkt niet in hoeverre er is gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. Ook ontbreekt het aan informatie over welke veiligheidsafspraken er met [minderjarige 1] zijn gemaakt en waarom MST-CAN niet alsnog kan worden ingezet. Daarnaast wordt door [minderjarige 1] opgemerkt dat in het verzoek de feiten onjuist worden geschetst. Zo wordt gesteld dat [minderjarige 1] wiet gebruikt, wat later wordt gekarakteriseerd als middelengebruik, terwijl urinecontroles op de groep laten zien dat er in de voorafgaande periode geen langdurig gebruik van wiet of een andere drug is geweest. Ook de onderbouwing van de stelling dat [minderjarige 1] zich vermoedelijk in een omgeving begeeft waar overmatig wiet- en alcoholgebruik plaatsvindt ontbreekt. Uit zijn instemmingsverklaring blijkt dat de gedragswetenschapper enkel instemt met een gesloten plaatsing voor de duur van drie maanden. Het ontbreekt in die verklaring aan een conclusie of een gesloten plaatsing doelmatig en effectief is, of juist contra-indicatief bij een minderjarige met hechtingsproblematiek. Nu niet c.q. onvoldoende is nagedacht over alternatieve en minder ingrijpende vormen van jeugdhulp en de inzet van school en dagbesteding, is gesloten jeugdhulp niet passend en doelmatig. Daar komt nog bij de [minderjarige 1] op dit moment geen behandeling krijgt bij [accommodatie]. Vanwege de vakantieperiode zal dit vermoedelijk pas eind augustus op gang gaan komen. Er zijn dan enkele weken verstreken voordat er iets is ingezet. Onduidelijk is daarnaast welke hulpverlening er bij [accommodatie] daadwerkelijk zal worden opgestart.
6 De (nadere) beoordeling
Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
Bij voornoemde beschikking van 17 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden. De kinderrechter ziet na het horen van de betrokkenen geen aanleiding om deze beslissing te herroepen.
Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen aangezien de kinderrechter thans tevens zal beslissen op het reguliere verzoek gesloten plaatsing ten aanzien van [minderjarige 1].
Reguliere machtiging gesloten jeugdhulp
De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 1]. Hoewel er al langere tijd zorgen bestaan over haar opvoedsituatie, is het risicovol, grensoverschrijdend en zelfbepalend gedrag in de afgelopen periode toegenomen. [minderjarige 1] gebruikt wiet en houdt zich op in een omgeving met jongeren waar sprake is van negatieve beïnvloeding. Zij accepteert het gezag van de moeder niet. In het verleden zijn verschillende hulpverleningsvormen ingezet, echter zonder resultaat. De spanningen thuis blijven hoog oplopen, waarbij [minderjarige 1] door de moeder niet te handhaven is. De GI benadrukt dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is om de veiligheid van [minderjarige 1] te waarborgen. De kinderrechter volgt dit. Er is in de thuissituatie een onhoudbare situatie ontstaan waarbij de veiligheid van [minderjarige 1] niet kan worden gewaarborgd en er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige 1] naar volwassenheid ernstig belemmeren.
Een gesloten plaatsing is noodzakelijk om het gedrag van [minderjarige 1] te begrenzen en haar de stabiliteit en rust te bieden die zij nodig heeft. Zij dient zich op haar ontwikkeling te focussen en heeft hier hulpverlening bij nodig. Zonder fysieke veiligheid en begrenzing kan onderzoek naar een passende behandeling niet plaatsvinden.
Naar het oordeel van de kinderrechter is een terugkeer naar de thuissituatie bij de moeder op dit moment niet mogelijk. Dit wordt ook door de moeder erkend. De kinderrechter betrekt daarin dat er nu in de thuissituatie geen hulpverlening is, ingezette hulpverlening in het verleden niet van de grond is gekomen en de dynamiek tussen de moeder en [minderjarige 1] te onveilig is. De verwachting bestaat dat wanneer [minderjarige 1] nu teruggaat naar huis, zij vervalt in eerder getoond schadelijk gedrag. In verband met onder andere het risico op weglopen, negatieve beïnvloeding door anderen en een gebrek aan toezicht is een plaatsing in een open setting niet passend en eveneens onvoldoende veilig. Het is nu nog te vroeg om te verwachten dat de vruchten van de ondertoezichtstelling al zichtbaar zijn. Zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat de GI in het verleden niet alle mogelijkheden heeft benut om hulpverlening in te zetten, zoals namens [minderjarige 1] is aangevoerd, is het oordeel toch dat het voorgaande betekent dat er op dit moment geen minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn dan een gesloten plaatsing.
In zijn verklaring van 27 juli 2026 stemt de onafhankelijke gedragswetenschapper in met een gesloten plaatsing van [minderjarige 1] voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, is voldaan wettelijke criterium genoemd in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. De kinderrechter acht een voortzetting van de machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige 1] te waarborgen, haar te beschermen en een verdere ontwikkelingsbedreiging af te wenden.
Duur van de machtiging
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen. In navolging van de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper zal de kinderrechter de machtiging verlenen voor de duur van drie maanden, zijnde tot 30 oktober 2026. Een beslissing over het overige deel van het verzoek, te weten drie maanden, zal de kinderrechter aanhouden. Hij hecht er waarde aan om de situatie van [minderjarige 1] te blijven volgen. Gelet op de korte termijnen en om voortvarendheid te behouden zal de kinderrechter nu al een nadere zitting bepalen, zoals hierna in het dictum zal worden gemeld.
Het verdere verloop
In de komende periode verwacht de kinderrechter van de GI dat zij voortvarend aan de slag gaat met het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige 1] én het scheppen van duidelijkheid over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het inzetten van hulpverlening in de thuissituatie. De kinderrechter verzoekt de GI om ten behoeve van de nadere zitting een verslag over te leggen, waarin onder meer informatie over onderstaande punten zijn opgenomen:
- hoe verloopt de gesloten plaatsing?
- welke hulpverlening heeft [minderjarige 1] nodig en hoe wordt of kan hierin worden voorzien?
- welke hulpverlening heeft [minderjarige 1] gedurende haar gesloten plaatsing ontvangen en wat zijn de eerste resultaten daarvan?
- in hoeverre is een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk en wat dient hiervoor aan hulpverlening te worden ingezet?
- in hoeverre is gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen en wat zijn de resultaten daarvan?
- indien thuisplaatsing niet mogelijk is, wat zijn dan de alternatieven?
- handhaaft de GI het resterende verzoek, en zo ja wat is daarvan de onderbouwing?
De kinderrechter verlangt van de GI uiterlijk op 20 oktober 2026 schriftelijke verslaglegging op voormelde punten, een en ander onder gelijktijdige verstrekking daarvan aan mr. Van Laarhoven en de moeder. Indien de GI het resterende verzoek handhaaft verwacht de kinderrechter een nieuwe of aanvullende verklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper die [minderjarige 1] recentelijk heeft gesproken, waaruit blijkt of deze gedragswetenschapper al dan niet instemt met dat restverzoek, eveneens uiterlijk op voormelde datum.
Mr. Van Laarhoven en de moeder krijgen tijdens de nadere zitting gelegenheid om op het schriftelijk verslag van de GI te reageren. Indien gewenst kunnen mr. Van Laarhoven en de moeder ook voorafgaand aan de nadere zitting een schriftelijke reactie bij de rechtbank indienen.
Indien de GI het resterende verzoek niet handhaaft, zal de zaak verder schriftelijk worden afgedaan zonder nadere zitting.
Samenvattend
De reguliere machtiging gesloten jeugdhulp zal worden verleend voor de duur van drie maanden, zijnde tot 30 oktober 2026. Het resterende deel van het verzoek (drie maanden) zal worden aangehouden tot na te melden vervolgzitting. Voorafgaand aan die zitting verwacht de kinderrechter een schriftelijk verslag van de GI, zoals is weergegeven in rechtsoverwegingen 6.9 en 6.10.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7 De beslissing
De kinderrechter:
C/02/450501 / JE RK 26-1298 (spoed)
wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af;
C/02/450502 / JE RK 26-1299 (regulier)
verleent een machtiging om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 30 juli 2026 tot 30 oktober 2026;
houdt aan het resterende deel van het verzoek tot de nadere zitting van [datum] 2026 te [uur] uur bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Van Gessel), locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor deze nadere zitting voor de GI, [minderjarige 1], haar advocaat en de moeder;
gelast de griffier om de vader bij separate brief op te roepen voor deze vervolgzitting;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. W. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.G. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.