Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8295Zaaknummer C/02/450203 / KG ZA 26-385

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450203 / KG ZA 26-385
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding, Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Wijziging hoofdverblijf. Afgifte goederen minderjarige.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, voorlopig, totdat in een tussen partijen aanhangig te maken bodemprocedure definitief is beslist, zijn hoofdverblijf bij de vader heeft;

5.2.

veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis over te gaan tot afgifte van de monitor, het muisblad, het toetsenbord en het Breitling horloge van [minderjarige] aan de man;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.W. van den Broek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vorderingen
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/450203 / KG ZA 26-385

datum uitspraak: 3 augustus 2026

Vonnis in kort geding van 29 juli 2026

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat: mr. T. van Riel te Breda,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3;

- twee producties ingediend door mr. Stoffels op 22 juli 2023;

- de mondelinge behandeling op 23 juli 2026.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.4.

De hierna te noemen minderjarige is door de kinderrechter uitgenodigd voor een kindgesprek. Hij heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 25 maart 2025 is, voor zover nu van belang, bepaald dat de minderjarige voortaan zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw.

2.4.

De minderjarige verblijft sinds 18 mei 2026 bij de man te [woonplaats 1].

3 De vorderingen

3.1.

De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Vordering 1:

primair te bepalen dat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, totdat in de tussen partijen aanhangige dan wel aanhangig te maken bodemprocedure definitief is beslist, althans subsidiair te bepalen dat [minderjarige] voorlopig bij de man verblijft en dat gedaagde gehouden is dit feitelijke verblijf te respecteren totdat in de bodemprocedure ander is beslist;

Vordering 2:

primair de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan de man af te geven alle zich nog bij de vrouw bevindende goederen van [minderjarige], waaronder in elk geval de persoonlijke goederen van [minderjarige] die zich nog in zijn kamer bevinden, voor zover die aan [minderjarige] toebehoren dan wel voor zijn gebruik bestemd zijn, althans subsidiair de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis een volledige en gespecificeerde lijst aan de man te verstrekken van alle nog bij de vrouw aanwezige goederen van [minderjarige], met gelijktijdige terbeschikkingstelling daarvan voor afhaling. Zowel voor de primaire als voor de subsidiaire vordering vordert de man veroordeling onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw in gebreke blijft aan de afgifte van de zaken te voldoen met een maximum van € 2.500,00;

Vordering 3:

de proceskosten tussen partijen te compenseren.

3.2.

Door en namens de man is in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Sinds 18 mei 2026 woont [minderjarige] feitelijk bij de man. Volgens [minderjarige] is hij door zijn moeder uit huis gezet of wordt hij in ieder geval niet langer toegelaten tot het huis. Daarna heeft [minderjarige] zijn intrek genomen bij de man. Er bevinden zich nog goederen van [minderjarige] bij de vrouw. De vrouw weigert deze goederen van [minderjarige] aan hem af te geven. Het gaat dan om de persoonlijke goederen van [minderjarige] en om spullen die zich nog in zijn kamer bij de vrouw bevinden. Meer in het bijzonder gaat het dan om een fatbike, spelcomputer, televisie, bureau, monitor, muisblad en toetsenbord. De man heeft toegelicht dat [minderjarige] de fatbike voor zijn verjaardag cadeau heeft gekregen. Voor de spelcomputer geldt dat hij deze met Kerst cadeau heeft gekregen. De fatbike en de spelcomputer zijn dus eigendom van [minderjarige].

3.3.

De vrouw voert geen verweer tegen de vordering met betrekking tot het voorlopig hoofdverblijf van [minderjarige] (vordering 1). Tegen de vordering aangaande de afgifte van goederen (vordering 2) voert zij gedeeltelijk verweer. De vrouw is bereid de monitor, het muisblad, het toetsenbord en het Breitling horloge af te geven. Ten aanzien van de fatbike heeft de vrouw aangevoerd dat deze niet cadeau is gegeven aan [minderjarige], maar dat deze is gekocht door de heer [persoon], de ex-partner van de vrouw, en door [minderjarige] en de vrouw werd gebruikt. De fatbike is het enige vervoersmiddel van de vrouw. Als zij de fatbike aan [minderjarige] zou geven heeft zij zelf geen vervoer meer. De spelcomputer is cadeau gedaan met Kerst aan alle kinderen van de vrouw, dus niet alleen aan [minderjarige]. De fatbike en de spelcomputer zijn dus niet van [minderjarige] en deze goederen zal de vrouw dus ook niet afgeven. Tegen de vordering over de proceskosten is door de vrouw geen verweer gevoerd.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Er is sprake van een spoedeisend belang

4.1.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er een (voldoende) spoedeisend belang bestaat bij de vorderingen van de man. De man stelt dat de spoedeisendheid uit de aard van de feiten en omstandigheden voortvloeit. De vrouw heeft zich niet uitgelaten over het spoedeisend belang in deze zaak.

4.2.

Op grond van de gedingstukken en hetgeen tussen partijen is besproken ter zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen voldoende vast. Deze zaak heeft een spoedeisend karakter nu er op dit moment, ondanks dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is, [minderjarige] al enkele weken bij de man verblijft en er nauwelijks contact is tussen [minderjarige] en de vrouw. Daarbij heeft de man toegelicht dat als hij probeert een inschrijving van [minderjarige] te wijzigen (bijvoorbeeld in de basisregistratie personen) hij er steeds tegenaan loopt dat er geen document is waaruit blijkt dat het hoofdverblijf (voorlopig) is gewijzigd en bij de man is. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man dan ook inhoudelijk behandelen.

Het hoofdverblijf wordt voorlopig bepaald bij de man

4.3.

De vrouw verzet zich er niet tegen dat het hoofverblijf van [minderjarige] voorlopig bij de man wordt bepaald. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom toewijzen.

4.4.

Ondanks dat de vrouw zich niet verzet tegen de voorlopige wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] heeft de Raad wel zijn zorgen geuit. De Raad licht toe dat [minderjarige] twee jaar geleden via de informele rechtsingang heeft verzocht om zijn hoofdverblijf te bepalen bij de vrouw. Er waren op dat moment zorgen over de situatie bij de man, omdat er sprake was van schoolverzuim door [minderjarige] en omdat de indruk bestond dat er sprake was van verwaarlozing. De Raad vraagt zich daarom af of de man [minderjarige] op dit moment kan bieden wat hij, een jongen van 16 jaar, nodig heeft. De Raad waarschuwt er daarbij ook voor dat de ouders moeten voorkomen dat er een patroon ontstaat dat als het [minderjarige] niet zint, hij naar de andere ouder vertrekt. Het is daarom heel belangrijk dat de ouders in staat zijn op een goede manier met elkaar te communiceren. Als voor [minderjarige] duidelijk is dat de ouders niet (goed) met elkaar communiceren, zal hij de ouders tegen elkaar uitspelen. De Raad spreekt dan ook de hoop uit dat de ouders openstaan voor hulpverlening, eventueel in het kader van een nog te starten bodemprocedure.

4.5.

De opmerkingen van de Raad hebben ertoe geleid dat partijen tijdens een korte schorsing van de zitting een aantal afspraken met elkaar hebben gemaakt. De advocaat van de man zal na de zomervakantie een bodemprocedure starten. De man zal via de gemeente informeren naar de mogelijkheden voor hulpverlening met betrekking tot (verbetering van) de oudercommunicatie. De vrouw heeft toegezegd daaraan vrijwillig haar medewerking te willen verlenen. De communicatie tussen partijen gaat volgens hen momenteel redelijk goed, maar beide partijen zijn van mening dat er nog verbeterpunten zijn. Zij zien beiden ook het belang van een goede communicatie over en richting [minderjarige].

De vordering tot afgifte van goederen wordt gedeeltelijk toegewezen

4.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gezegd dat zij bereid is om de monitor, het muisblad en het toetsenbord af te geven. Zij is ook bereid het Breitling horloge af te geven, onder de voorwaarde dat zij dit ook aantreft.

4.7.

Ten aanzien van de fatbike, de spelcomputer en het bureau hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken. De man stelt dat de fatbike en de spelcomputer van [minderjarige] zijn omdat hij deze cadeau heeft gekregen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft immers aangevoerd dat de fatbike en de spelcomputer een cadeau waren voor het gezin en niet voor [minderjarige]. De stelplicht en bewijslast voor de vordering ligt bij de man nu de man zich op de rechtsgevolgen (afgifte van eigendom) beroept.[_16b8aa7e-4cb3-490f-aac2-6b3495dc7a00] De man heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn vordering, gezien de gemotiveerde betwisting, onvoldoende gemotiveerd. De man heeft nog gesteld dat het niet aannemelijk is dat de fatbike en de spelcomputer aan het gezin cadeau gemaakt zijn. Dat is echter onvoldoende om aan te tonen dat de fatbike en spelcomputer van [minderjarige] zijn. De vrouw zal daarom niet veroordeeld worden om de fatbike en de spelcomputer af te geven.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling -nadat de vrouw heeft toegelicht dat het bureau in elkaar gelijmd is en dus niet uit elkaar gehaald kan worden zonder dat het beschadigd zal raken- aangegeven niet langer aanspraak te maken op afgifte van het bureau.

4.8.

Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter de vrouw veroordelen om de monitor, het muisblad, het toetsenbord en het Breitling horloge af te geven. De vrouw zal dit binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis moeten doen. De voorzieningenrechter verbindt aan de afgifte van deze goederen geen dwangsom. De vrouw heeft zelf aangegeven genoemde goederen af te zullen geven. De vrouw zal zich aan deze beslissing moeten houden. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat dwangmiddelen hiervoor niet nodig zijn.

De proceskosten worden gecompenseerd

4.9.

Gelet op het verzoek van de man en de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, voorlopig, totdat in een tussen partijen aanhangig te maken bodemprocedure definitief is beslist, zijn hoofdverblijf bij de vader heeft;

5.2.

veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis over te gaan tot afgifte van de monitor, het muisblad, het toetsenbord en het Breitling horloge van [minderjarige] aan de man;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.W. van den Broek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier.

Voetnoten

  1. Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.