Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8294Zaaknummer C/02/433090 FA RK 25-1366

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/433090 FA RK 25-1366
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Maastricht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging kinderbijdrage. Overeenkomst tussen partijen vanwege gewijzigde omstandigheden. Nadien weer gewijzigde omstandigheden.

De rechtbank

wijzigt de beschikking d.d. 30 juli 2019 van deze rechtbank als volgt:

bepaalt dat de daarbij vastgestelde door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,

  • over de periode van 1 oktober 2023 tot heden wordt vastgesteld op nihil;
  • met ingang van heden nader wordt vastgesteld op € 25,= per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. van Triest, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/433090 FA RK 25-1366

datum uitspraak 29 juli 2026

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de vrouw],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. V.C. Serrarens te Middelburg,

en

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. Kalle te Middelburg.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 18 maart 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het verweerschrift d.d. 14 mei 2025;

- de brief d.d. 12 februari 2026 van mr. Serrarens met producties;

- de brief d.d. 13 februari 2026 van mr. Kalle met productie.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 24 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1

Partijen, Nederlanders, zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking d.d. 1 maart 2017 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; deze beschikking is op 21 april 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen hebben het navolgende, nu nog minderjarige kind:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013.

2.3.

De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de man.

2.4.

Bij beschikking d.d. 30 juli 2019 is, voor zover hier van belang, de door de vrouw aan de man te betalen definitieve bijdrage in de kosten van de minderjarige bepaald op € 114,= per maand. Deze bijdrage bedraagt in 2025 vanwege wettelijke indexering € 143,43 per maand en in 2026 is dat € 150,03 per maand.

2.5.

De vrouw is vervolgens moeder geworden van nog twee minderjarige kinderen:

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2021;

- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2025.

3 Het verzoek

3.1

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de door haar te betalen kinderbijdrage op nihil te stellen met ingang van 1 oktober 2023, dan wel een bedrag en datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- kosten rechtens.

3.2.

De man voert verweer strekkende tot afwijzing van het verzoek.

4 De beoordeling

4.1

Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij thans primair nihilstelling verzoekt van de door haar te betalen kinderbijdrage per 1 oktober 2023 en subsidiair per die datum vaststelling op € 25,= per maand. De vrouw voert als grond voor haar verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Zij heeft inmiddels nog twee minderjarige kinderen gekregen: [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 en [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2025. Zij is sinds 1 oktober 2023 gestopt met het betalen van kinderalimentatie. Zij is per die datum in de Ziektewet gekomen waardoor haar inkomen aanzienlijk is gedaald. Haar partner is in oktober 2024 in de schuldsanering terecht gekomen in verband met het faillissement van zijn horecazaak tijdens coronatijd. De vrouw heeft geen recht op toeslagen omdat het gezamenlijk inkomen van haar en haar partner te hoog is, maar een groot gedeelte van dit inkomen gaat naar de bewindvoerder. De man is akkoord gegaan met het niet betalen van de kinderalimentatie, zij wijst hierbij op de door haar overgelegde bijlage 3 bij haar verzoekschrift. Door Orionis wordt de vrouw nu verplicht de bijdrage door de rechtbank op nihil te laten stellen. De vrouw heeft geen vermogen.

4.2.

De man voert verweer als volgt. Hij voert verweer tegen de nihilstelling alsook met betrekking tot de terugwerkende kracht. Primair vraagt hij afwijzing van het verzoek en subsidiair vraagt hij een andere ingangsdatum. Hij erkent dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nu de vrouw opnieuw moeder is geworden. Hetgeen de vrouw ter onderbouwing van haar verzoek heeft ingediend, is onvoldoende. De vrouw had haar verzoek eerder kunnen en moeten indienen. Voor wat betreft de behoefte van [minderjarige 1] kan worden uitgegaan van de behoefte zoals die in 2019 is vastgesteld en blijkt uit de overgelegde stukken. Die behoefte bedraagt dan na wettelijke indexering in 2024 € 161,85 per maand, in 2025 € 172,37 per maand en in 2026 € 180,30 per maand. Wel is op basis van hetgeen door de vrouw betreft haar inkomsten over januari 2026 heeft overgelegd, duidelijk dat zij vanaf dat moment een minimale draagkracht heeft. De man heeft nog steeds een bijstandsuitkering en heeft geen draagkracht.

4.3.

De vrouw vraagt thans primair op nihilstelling van de kinderbijdrage per 1 oktober 2023. Op grond van artikel 1:401 BW lid 1 kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 5 van genoemd artikel kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De rechtbank constateert - gelet op de door de vrouw overgelegde bijlage 3 bij haar verzoekschrift waaruit volgt dat de man de afspraak dat de vrouw vanaf 1 oktober 2023 voor onbepaalde tijd geen kinderbijdrage aan de man verschuldigd zal zijn bevestigt - dat partijen in september 2023 de afspraak hebben gemaakt dat de vrouw vanaf 1 oktober 2023 voor onbepaalde tijd geen kinderbijdrage aan de man verschuldigd zal zijn. Vaststaat dat de vrouw vanaf dat moment ook geen kinderbijdrage meer aan de man heeft betaald. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de reden van voornoemde afspraak erin was gelegen dat zij per 1 oktober 2023 in de Ziektewet kwam waardoor haar inkomen aanzienlijk was gedaald. De rechtbank concludeert dat sprake was van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de omstandigheden zoals die waren ten tijde van de beslissing d.d. 30 juli 2019. Nu de man vorenstaande niet heeft betwist, ziet de rechtbank aanleiding om op basis van de overeenstemming tussen partijen de door de vrouw te betalen kinderbijdrage per 1 oktober 2023 op nihil te stellen. Hierbij neemt de rechtbank mede in acht dat de man nu niet heeft gesteld en het de rechtbank ook niet is gebleken dat genoemde overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

4.4.

Voorts is het de rechtbank uit de stukken en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, gebleken dat zich na 1 oktober 2023 nog diverse wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan, waardoor mogelijk de door partijen overeengekomen nihilstelling niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Zo heeft de vrouw verschillende uitkeringen ontvangen (o.a. WIA-uitkering) met andere bedragen en is de vrouw op [geboortedag 3] 2025 moeder geworden van [minderjarige 3]. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om te beoordelen of de op nihilstelling nog steeds voldoet aan de wettelijke maatstaven.

4.5.

De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van die eventuele wijziging van de kinderalimentatie beoordelen. De rechtbank ziet aanleiding om als ingangsdatum de datum van de beschikking te hanteren. De vrouw mocht er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat partijen overeenstemming hadden bereikt in die zin dat zij aan de man geen kinderbijdrage was verschuldigd. Voorts heeft de vrouw tijdens de zitting in verband met een eventuele door haar met terugwerkende kracht te betalen kinderbijdrage onweersproken naar voren gebracht niet over vermogen te beschikken.

4.6.

Gelet op het vorenstaande wordt een eventuele kinderbijdrage bepaald aan de hand van alle op dit moment bestaande omstandigheden.

4.7.

Tijdens de zitting heeft de man gesteld dat de behoefte van de minderjarige zoals volgt uit de door de vrouw overgelegde stukken in 2019 € 137,= per maand bedroeg. Nu de vrouw dit niet heeft weersproken, gaat de rechtbank daarvan uit. De behoefte bedraagt dan in 2026, afgerond op hele euro’s, € 180,= per maand.

4.8.

De rechtbank volgt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.

4.9.

Gelet op de door de vrouw ingediende stukken met betrekking tot haar huidige inkomen (een WIA-uitkering van € 1.607,27 per maand) en de door haar gestelde omstandigheden waarbij zij voor zoon [minderjarige 2] de reiskosten voor haar rekening neemt, zij de volledige zorg voor dochter [minderjarige 3] heeft (zij ontvangt voor haar geen kindgebonden budget en geen kinderalimentatie) en [minderjarige 1] volgens een week op week af regeling bij partijen verblijft, is de rechtbank met partijen van oordeel dat de vrouw thans beschikt over niet meer dan een minimale draagkracht van € 25,= per maand voor [minderjarige 1]. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van een minimumdraagkracht van de vrouw van € 25,= per maand.

4.10.

Vaststaat dat de man een bijstandsuitkering heeft en derhalve geen aandeel kan leveren in de kosten van de minderjarige.

4.11.

Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarige van

€ 180,= per maand.

4.12.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van

een relevante wijziging(en) van omstandigheden die leiden tot aanpassing van de bij

beschikking d.d. 30 juli 2019 vastgestelde bijdrage, als volgt. De rechtbank zal de door de

vrouw te betalen bijdrage over de periode van 1 oktober 2023 tot heden op nihil stellen en

vanaf heden op een bedrag van € 25,= per maand. De rechtbank zal, gelet op het

vorenstaande, op onderstaande wijze beslissen.

5 De beslissing

De rechtbank

wijzigt de beschikking d.d. 30 juli 2019 van deze rechtbank als volgt:

bepaalt dat de daarbij vastgestelde door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,

  • over de periode van 1 oktober 2023 tot heden wordt vastgesteld op nihil;
  • met ingang van heden nader wordt vastgesteld op € 25,= per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. van Triest, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.