Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8109Zaaknummer C/02/443058 FA RK 25-6458
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/443058 FA RK 25-6458
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Familiezaak. Gezag, hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimenatie. Man is in gebreke gebleven voldoende inzage te geven in zijn inkomen als zelfstandig ondernemer.
De rechtbank:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1],
2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 2];
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1],
2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 2],
3. [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2024 te [geboorteplaats 1],
hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de hiervoor onder 5.2 genoemde minderjarige kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar overeenkomstig de volgende regeling:
- iedere week: dinsdag van 08:15 uur tot woensdagochtend, waarbij de man de kinderen naar de school/opvang brengt;
- in de oneven weken:
* donderdag na school tot 17:00 uur, waarbij [minderjarige 3] - zolang hij nog niet naar school gaat - op die dag van 08:15 uur tot 17:00 uur bij de man verblijft, waarna de vrouw de kinderen komt ophalen bij de man;
* vrijdag uit school/opvang tot maandagochtend, waarbij de man de kinderen naar de school/opvang brengt;
- in de even weken: donderdag van 08:15 uur tot vrijdagochtend, waarbij de man de kinderen naar de school/opvang brengt;
bepaalt voorts, uitvoerbaar bij voorraad, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de hiervoor onder 5.2 genoemde minderjarige kinderen:
in de zomervakantie van 2026: de eerste twee weken bij de vrouw verblijven, daarna twee weken bij de man verblijven, in de vijfde week bij de vrouw verblijven en in de zesde week bij de man;
in de zomervakanties vanaf 2027: in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man verblijven en de laatste drie weken bij de vrouw; in de even jaren andersom;
in schoolvakanties met een duur van twee weken: in de even jaren de eerste week bij de vrouw verblijven en in de tweede week bij de man; in de oneven jaren andersom;
in andere schoolvakanties: bij de ouder verblijven overeenkomstig de hiervoor onder 5.3 bepaalde standaardregeling;
waarbij ieder kind in de gelegenheid moet worden gesteld om video- of belmomenten te hebben met de ouder waarbij het op dat moment niet verblijft;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 14 maart 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de hiervoor onder 5.2 genoemde minderjarige kinderen aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van
€ 295,= (tweehonderdvijfennegentig euro) per maand per kind;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Wit, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443058 FA RK 25-6458
datum uitspraak: 24 juli 2026
beschikking betreffende gezag, zorg-/contactregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.A.W van Oudheusden,
en
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. P. Doorakkers.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 12 december 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 5 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
de brief van mr. Van Oudheusden van 15 juni 2026, met bijlagen.
1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 18 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad.
2 De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
partijen hebben een relatie met elkaar gehad; deze relatie is in januari 2025 verbroken;
uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1], hierna: [minderjarige 1],
2. [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 2], hierna: [minderjarige 2],
3. [minderjarige 3]geboren op [geboortedag 3] 2024 te [geboorteplaats 1], hierna: [minderjarige 3];
de kinderen zijn door de man erkend;
de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]; partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige 3];
er is géén rechterlijke uitspraak van kracht voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2026 (kenmerk C/02/443037/ FA RK / 25-6443) is bij wijze van provisionele voorziening bepaald dat de man over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 27,= per maand per kind moet voldoen, te vermeerderen met de wettelijke indexering per 1 januari 2026. Met ingang van 14 maart 2026 is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in diezelfde beschikking nader vastgesteld op nihil.
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt nu, samengevat:
- te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;
- een regeling vast te stellen voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/omgangsregeling, wat betreft het contact tussen de man en de kinderen, en wel als volgt:
a. iedere week:
- iedere dinsdag van 08:15 uur tot woensdagochtend, waarna de man de kinderen naar school/opvang brengt;
oneven weken:
- op donderdag van 08:15 uur tot 16:00 uur;
- van vrijdag na school/opvang tot maandagochtend, waarbij de man de kinderen naar school/opvang brengt;
even weken:
- op donderdag van 08:15 uur tot vrijdagochtend, waarbij de man de kinderen naar school/opvang brengt;
en daarnaast een regeling vast te stellen voor het contact tussen de man en de kinderen tijdens de (school)vakanties;
- een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen vast te stellen van € 506,= per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 18 september 2025, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Hij verzoekt nu zelfstandig, samengevat:
- de man en de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
- tussen de man en de kinderen een zorg-/contactregeling vast te stellen, waarbij de man en de kinderen als volgt contact met elkaar hebben:
* iedere week: dinsdag van 08:15 uur tot woensdagochtend, waarbij de man de kinderen naar school/opvang brengt;
* oneven weken:
donderdag na school tot 17:00 uur, waarbij [minderjarige 3] op die dag van 08:15 uur tot 17:00 uur bij de man verblijft, waarna de vrouw de kinderen komt ophalen bij de man;
vrijdag uit school/opvang tot maandagochtend, waarbij de man de kinderen naar school/opvang brengt;
* even weken: donderdag van 08:15 uur tot vrijdagochtend, waarbij de man de kinderen naar school/opvang brengt;
en daarnaast een regeling vast te stellen voor het contact tussen de man en de kinderen tijdens de (school)vakanties;
dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg-/contactregeling.
4 De beoordeling
Wijziging gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van dit wetsartikel volgt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het verzoek om partijen met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten is niet weersproken en op de wet gegrond. Dit verzoek zal dan ook worden toegewezen.
Omdat partijen bij deze beschikking - naast het gezamenlijk gezag over [minderjarige 3] - ook worden belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], wordt hierna voor de drie kinderen steeds uitgegaan van een gelijke situatie. Er wordt hierna dus ook wat betreft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over toedeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel een zorg-/contactregeling en niet van omgang.
Hoofdverblijf
Het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Verdeling van zorg- en opvoedingstaken
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van artikel 1:253a lid 2 onder a BW kan de rechtbank ook op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen voor een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
Vóór het nemen van een beslissing dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, na te gaan of de ouders samen een regeling kunnen treffen.
De standpunten
Namens en door de vrouw is op de zitting aangegeven dat zij akkoord gaat met het zelfstandig verzoek van de man over de zorg-/contactregeling tussen hem en de kinderen. Inmiddels verloopt het contact tussen de man en de kinderen volgens die regeling en dat functioneert goed. De regeling komt in feite neer op co-ouderschap.
Wel zijn partijen het niet eens over de regeling voor de zomervakantie. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij de ene ouder verblijven en de laatste drie weken bij de andere ouder, jaarlijks wisselend. Een dergelijke regeling voor de zomervakantie is namelijk beter te combineren met een verlofaanvraag op het werk. Als de kinderen in die periode van drie weken behoefte hebben aan contact met de andere ouder, kan dat worden gerealiseerd door een bezoek of door middel van video- of belmomenten. Voor de zomervakantie van 2026 hebben partijen, gelet op de nog jonge leeftijd van de kinderen, een “2-2-1-1 regeling” afgesproken, waarbij de kinderen de eerste twee weken bij de ene ouder verblijven, de volgende twee weken bij de andere ouder, daarna weer een week bij de ene ouder en de laatste week bij de andere ouder. Wat betreft de schoolvakanties die twee weken duren wil de vrouw graag een regeling waarbij de kinderen de eerste week bij ene ouder verblijven en de andere week bij de andere ouder, jaarlijks wisselend. Voor de overige schoolvakanties kan de standaardregeling worden gevolgd. De vrouw vindt het belangrijk dat de rechtbank bij beschikking een regeling voor de schoolvakanties vastlegt, omdat partijen hier anders over blijven discussiëren. De onderlinge verstandhouding vraagt om een duidelijke regeling, om een nieuwe gang naar de rechter te voorkomen. Partijen hadden namelijk ook een afspraak van een “3-3 regeling” voor de zomervakantie vanaf 2027, maar de man is hier zojuist op de zitting weer op teruggekomen.
Namens en door de man is bevestigd dat het contact tussen hem en de kinderen nu verloopt overeenkomstig de regeling die is opgenomen in zijn zelfstandig verzoek. Ook heeft de man bevestigd dat partijen voor de zomervakantie 2026 de door de vrouw genoemde
“2-2-1-1 regeling” hebben afgesproken. Verder heeft de man desgevraagd aangegeven dat hij akkoord gaat met het voorstel van de vrouw voor de verdeling van de overige schoolvakanties, behalve wat betreft de zomervakantie van 2027 en daarop volgende jaren. Het heeft de voorkeur van de man dat daarvoor nu nog geen regeling wordt vastgelegd. De man wil pas een “3-3 regeling” afspreken als partijen merken dat de kinderen daar klaar voor zijn. Hij wil afwachten hoe het de komende zomervakantie gaat. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen vindt hij drie aaneengesloten weken bij één ouder te lang en nu nog niet in hun belang. Als de regeling komende zomervakantie goed verloopt, kan in de zomer van 2027 misschien een “3-3 regeling” worden uitgeprobeerd.
De Raad heeft geadviseerd om, met het oog op de leeftijd van het jongste kind van partijen, een “2-2-1-1 regeling” voor deze zomervakantie vast te leggen, of een regeling waarbij de kinderen telkens één week bij de ene ouder zijn en de daarop volgende week bij de andere ouder. Daarnaast moet er ruimte zijn voor videobellen met de andere ouder. Voor de zomervakantie in 2027 kan als uitgangpunt een regeling worden vastgelegd waarbij de kinderen de eerste drie weken bij de ene ouder verblijven en de laatste drie weken bij de andere ouder, onder de voorwaarde dat de regeling anders zal zijn als het belang van de kinderen daarom vraagt.
De beoordeling
Aangezien partijen het eens zijn over de standaardregeling voor het contact tussen de man en de kinderen en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank die regeling als zodanig vastleggen in deze beschikking. Het gaat hierbij om de regeling zoals hierboven onder 3.2 is weergegeven bij het zelfstandig verzoek van de man. Daarnaast zal de rechtbank de regeling voor de schoolvakanties vastleggen zoals door de vrouw is verzocht, ook wat betreft de zomervakantie van 2027 en de daarop volgende jaren. De rechtbank doet dit laatste met het oog op de toekomst.
Een regeling waarbij de kinderen in de zomervakantie steeds drie aaneengesloten weken bij de ene ouder zijn en vervolgens drie aaneengesloten weken bij de ander, is voor alle betrokkenen duidelijk en beter te combineren met werk. Over het algemeen zal een werkgever namelijk verlangen dat een werknemer gedurende een aaneengesloten periode verlof opneemt en niet allerlei losse weken tijdens de zomervakantie van zes weken. Het gemis van de andere ouder gedurende deze drie aaneengesloten weken kan zoveel mogelijk worden ondervangen door video- en belmomenten van de kinderen met de andere ouder. Het is de rechtbank niet, althans onvoldoende gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen een dergelijke regeling voor de zomervakanties.
Omwille van de duidelijkheid en ter voorkoming van discussies zal de rechtbank verder bepalen dat de kinderen in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man verblijven en de laatste drie weken bij de vrouw; in de even jaren andersom. Bij deze beslissing gaat de rechtbank er vanuit dat de kinderen in de zomer van 2026 (een even jaar) de eerste twee weken bij de vrouw zullen zijn, de daarop volgende twee weken bij de man, in de vijfde week bij de vrouw en in de zesde week bij de man, zoals is beschreven in alinea 4.2 van het verweerschrift van de man. Wat betreft de schoolvakanties met een duur van twee weken zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de even jaren de eerste week bij de vrouw verblijven en in de tweede week bij de man; in de oneven jaren andersom.
Kinderalimentatie
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de kinderen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft om die te voldoen.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de eventueel toe te wijzen kinderalimentatie beoordelen.
De vrouw stelt dat voor de ingangsdatum moet worden uitgegaan van 18 september 2025. Op deze datum heeft de advocaat van de vrouw de man om zijn financiële gegevens verzocht, zodat hij vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een onderhoudsverplichting. De man voert verweer en stelt dat de betalingsverplichting op zijn vroegst kan ingaan op 14 maart 2026. De man verwijst hiervoor naar de beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2026 over de provisionele voorziening. Daarin is immers bepaald dat de man over de periode van 18 september 2025 tot 14 maart 2026 als bijdrage in de kosten van de kinderen aan de vrouw € 27,= per maand per kind moet voldoen en met ingang van 14 maart 2026 is de bijdrage vastgesteld op nihil.
Op grond van artikel 1:402 BW heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste rechtspraak geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen.
Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
De rechtbank volgt het standpunt van de man en zal als ingangsdatum 14 maart 2026 hanteren. De rechtbank doet dit onder meer omdat er tot die datum bij beschikking van 25 februari 2026 al een provisionele voorziening is getroffen. De rechtbank heeft dit toen gedaan op verzoek van de vrouw, om zo voor een bepaalde periode duidelijkheid te verschaffen over de te betalen onderhoudsbijdrage. De rechtbank ziet in hetgeen van de zijde van de vrouw is gesteld onvoldoende aanleiding om nu een hernieuwd onderzoek naar de draagkracht van de man te doen over een deel van diezelfde periode, namelijk van
18 september 2025 tot 14 maart 2026. Hierbij speelt voor de rechtbank ook een rol dat de man inzichtelijk heeft gemaakt dat hij in de betreffende periode een hogere maandelijkse bijdrage heeft voldaan dan € 27,= per kind. De rechtbank acht het, alles overziend, in deze zaak redelijk om voor de ingangsdatum van de definitieve onderhoudsbijdrage uit te gaan van 14 maart 2026.
Netto besteedbaar gezinsinkomen
Voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat – conform de standpunten van partijen – voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.
Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw ten tijde van de samenleving € 1.863,= per maand bedroeg, zoals dat bedrag is vastgesteld in de beschikking over het treffen van een provisionele voorziening. Genoemd bedrag is gebaseerd op de jaaropgave 2024 van de vrouw (werkzaam bij [stichting] ), waaruit een jaarinkomen blijkt van € 22.356,= bruto.
Partijen zijn het niet eens over de wijze waarop het NBI van de man ten tijde van de samenleving moet worden berekend.
De vrouw stelt dat bij de berekening van het NBI van de man niet alleen moet worden uitgegaan van zijn Ziektewetuitkering in 2024 van € 767,= bruto per week, maar ook van zijn inkomsten als zelfstandig ondernemer. De man verkocht onder de naam “ [winkel] ” producten via [website] en had daar inkomsten uit. In de beschikking van
25 februari 2026 over de provisionele voorziening is aan de man uitdrukkelijk opgedragen om in de hoofdzaak volledige openheid van zaken te geven over zijn inkomen, maar hij heeft hier geen gevolg aan gegeven. En als er dan in 2024 geen inkomsten uit [winkel] waren, ook dan ligt het op de weg van de man om door middel van overlegging van stukken dat aan te tonen, maar ook dat heeft hij niet gedaan. Daarom moet volgens de vrouw worden uitgegaan van een schatting, zoals is gedaan in de behoefteberekeningen die zijn overgelegd namens de vrouw. De vrouw gaat uit van een winst uit onderneming van € 6.000,= bruto per maand.
De man verweert zich en vindt dat bij de berekening van zijn NBI in het kader van de behoefteberekening alleen moet worden uitgegaan van de Ziektewetuitkering. De man vindt ook dat hij zijn best heeft gedaan om de benodigde gegevens aan te leveren. De stukken die hij heeft overgelegd zijn het maximaal haalbare. De man erkent dat hij in 2024 inkomen had uit verkopen via [website], maar volgens hem waren die inkomsten minimaal.
Op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting staat vast dat de man in 2024 niet alleen inkomsten had uit een Ziektewetuitkering, maar ook als zelfstandig ondernemer uit verkopen via [website]. Ondanks zijn toezegging daartoe op de zitting over de provisionele voorziening heeft de man geen volledige openheid van zaken gegeven over zijn inkomen. De man heeft geen jaarstukken overgelegd van zijn eenmanszaak en ook geen aangifte en/of aanslag inkomstenbelasting. Bij gebreke hiervan zal de rechtbank bij de berekening van het NBI van de man wat betreft zijn inkomen als zelfstandig ondernemer uitgaan van een bruto resultaat van € 1.975,= per jaar, welk bedrag is vermeld als bruto resultaat in 2024 in het overzicht van [administratiekantoor] (productie 4 van de man). Uit de uitkeringsspecificaties over 2024 volgt dat de man daarnaast een uitkering had van € 767,= bruto per week. Dit bedrag is al inclusief de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt verder rekening met de MKB-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Gebaseerd op deze uitgangspunten bedraagt het NBI van de man ten tijde van de samenleving € 2.401,= per maand.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving, zoals al vermeld, op een bedrag van € 1.863,= per maand en van de man op een bedrag van € 2.401,= per maand. Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 4.264,= per maand. Hierbij dient nog het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen volgens de berekening van de rechtbank € 451,= per maand. Aan de hand van deze gegevens becijfert de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen op € 4.715,= per maand.
Behoefte kinderen
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de kinderen op van
€ 1.222,= per maand (2024-2). Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu
€ 1.361,= per maand, oftewel afgerond € 454,= per kind per maand. Daarmee overstijgt het door de vrouw verzochte bedrag de behoefte van de kinderen. Reeds om die reden wordt het meerdere dat door de vrouw ter zake van kinderalimentatie is verzocht afgewezen.
Draagkracht vrouw
Van de zijde van de vrouw is onweersproken gesteld dat haar dienstverband met [stichting] in verband met ziekte inmiddels is geëindigd en dat zij nu een Ziektewetuitkering van het UWV ontvangt van € 68,61 bruto per dag. Per week gaat het afgerond om een bedrag van € 343,= bruto. Dit bedrag is inclusief vakantiegeld. De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de vrouw verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 11.156,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.144,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens tabel, zoals die is opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen, € 109,= per maand.
Van de zijde van de man is gesteld dat de vrouw niet alleen inkomsten heeft uit een uitkering, maar dat zij ook inkomen genereert met het zetten van wimper-extensions en inkomen uit arbeid omdat zij werkzaamheden verricht voor een tabakszaak. Dit wordt door de vrouw gemotiveerd betwist. De vrouw geeft aan dat zij een cursus heeft gevolgd om wimper-extensions aan te brengen. Zij heeft dit vervolgens uitgeprobeerd bij een paar vriendinnen, maar dit is op niets uitgelopen. Er is geen sprake van extra inkomsten, ook niet uit de door de man gestelde werkzaamheden bij een tabakszaak in [plaats]. De vrouw geeft aan dat zij bevriend is met de eigenaar van die tabakszaak en dat zij daar zo nu en dan komt om wat afleiding te hebben in deze zware periode. De vrouw ontkent stellig dat zij bij de tabakszaak werkzaamheden verricht waarvoor zij wordt betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man nagelaten om zijn stelling dat de vrouw andere (zwarte) inkomsten heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, voldoende te onderbouwen terwijl dit wel van hem mocht worden verlangd. De rechtbank zal daarom bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw geen rekening houden met andere inkomsten dan haar Ziektewetuitkering, zoals die hierboven zijn vermeld.
Draagkracht man
Van de zijde van de vrouw wordt gesteld dat de draagkracht van de man moet worden vastgesteld overeenkomstig de draagkrachtberekening die namens de vrouw bij brief van
15 juni 2026 aan de rechtbank is gezonden. Uitgaande van een uitkering van € 767,= bruto per week (inclusief vakantiegeld) en een winst uit onderneming van € 6.000,= bruto per maand, heeft de man een NBI van € 6.037,= per maand en een draagkracht van € 2.003,= per maand. Verder stelt de vrouw dat het op de weg van de man had gelegen om volledige inzage te geven in zijn inkomsten, zoals hij ook heeft toegezegd op de zitting over de provisionele voorziening. In de brief van 15 juni 2026 is er namens de vrouw nogmaals op aangedrongen dat voor een betrouwbare beoordeling van de inkomenspositie van de man hij ten minste moet overleggen zijn aangiften inkomstenbelasting en aanslagen over 2023, 2024, 2025, de volledige winst- en verliesrekeningen over 2024, 2025 en 2026 tot heden. Omdat de man dit niet heeft gedaan, dient bij de bepaling van zijn draagkracht te worden uitgegaan van de door de vrouw gestelde bruto winst van € 6.000,= per maand en de andere gegevens in de draagkrachtberekening van 15 juni 2026.
Wat betreft de woonlasten van de man vindt de vrouw dat moet worden aangesloten bij het woonbudget, zoals te doen gebruikelijk. De man woont namelijk bij zijn moeder en kan zijn woonlasten delen. Uitgaan van het woonbudget is volgens de vrouw zelfs coulant. Wat betreft de door de man gestelde schulden gaat het volgens de vrouw om verwijtbare en vermijdbare schulden. Met een aflossing op de Tijdelijke Overbruggingsmaatregel Zelfstandige Ondernemers (TOZO) van € 180,= per maand kan bij het berekenen van de draagkracht van de man nog wel rekening worden gehouden, maar niet met de overige door hem gestelde betalingen ter zake van schulden.
De man voert verweer. Hij voert aan dat hij geen uitkering meer heeft en dat hij nu als ZZP-er werkzaam is voor [bedrijf]. De man schat zijn huidige inkomen op
€ 1.800,= tot € 2.200,= netto per maand, waarop nog een vergoeding voor reiskosten in mindering moet worden gebracht. Ter onderbouwing hiervan verwijst de man naar producties 29 tot en met 37 van zijn kant. De man stelt daarnaast dat bij de becijfering van zijn draagkracht geen rekening meer moet worden gehouden met inkomsten uit de verkoop via [website], omdat hij daar nagenoeg volledig mee is gestopt. Verder wordt van de zijde van de man aangevoerd dat aan zijn kant rekening moet worden gehouden met hogere woonlasten dan het gebruikelijke forfait, namelijk met een kale huur van € 700,= per maand, en daarnaast een aflossing op schulden van € 611,= per maand.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat voor het bepalen van de draagkracht wordt aangesloten bij het huidige inkomen van een onderhoudsplichtige. Dit zodat kan worden berekend wat iemand op dit moment, en voor de nabije toekomst, kan bijdragen in de kosten van de kinderen. Zoals hiervoor is vermeld, stelt de man dat zijn inkomen op dit moment in feite alleen nog maar bestaat uit zijn inkomsten als ZZP-er voor [bedrijf]. Van de zijde van de man zijn in dat kader een berekening van [administratiekantoor] over 2026 overgelegd, een grootboekkaart over 2026 en allerlei facturen ten name van [winkel]. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze stukken echter onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende betrouwbaar. Het is ook niet aan de rechtbank om op basis van een grootboekkaart en facturen te berekenen wat de huidige inkomsten van de man zijn. Op de zitting over de provisionele voorziening heeft de man, zoals reeds vermeld, toegezegd dat hij in de hoofdzaak volledige inzage in zijn inkomensgegevens zal geven. In de beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2026 over de provisionele voorziening is benadrukt dat dit ook op de weg van de man ligt. De man heeft op de zitting van 18 juni 2026 desgevraagd verklaard dat de jaarrekeningen van 2024 en 2025 van zijn eenmanszaak inmiddels gereed zijn en dat hij over die jaren ook aangifte inkomstenbelasting heeft de gedaan. Die stukken heeft de man evenwel niet aan de rechtbank overgelegd en hij heeft ook de (advocaat van de) vrouw daarin geen inzage verschaft. Dit maakt dat de man volstrekt onvoldoende en ook op onvoldoende betrouwbare wijze inzage heeft gegeven in zijn huidige inkomsten. Zeker gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw en de inhoud van de beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2026 had dit wel op de weg van de man gelegen. Dit heeft hij nagelaten en dat komt voor zijn rekening en risico.
Al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft tot gevolg dat de rechtbank er vanuit gaat dat de man een dusdanig inkomen geniet dat hij voldoende draagkracht heeft om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.
Aan een bespreking en beoordeling van de door de man opgevoerde (hogere) woonlasten en aflossing op schulden komt de rechtbank niet meer toe. Ook een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de man in gebreke is gebleven de voor het maken van een accurate berekening van zijn draagkracht en draagkrachtvergelijking benodigde gegevens, over te leggen.
Het bovenstaande komt er op neer dat de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bepaalt op € 1.362,= totaal per maand, ofwel € 454,= per kind per maand.
Zorgkorting
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu het eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 1.362,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 477,= per maand. Het hiervoor genoemde aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw per saldo dient te betalen: € 885,= per maand, ofwel € 295,= per kind per maand.
Berekening
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de vrouw. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Algemene overwegingen
De beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie zullen, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle partijen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1],
2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 2];
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1],
2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 2],
3. [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2024 te [geboorteplaats 1],
hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de hiervoor onder 5.2 genoemde minderjarige kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar overeenkomstig de volgende regeling:
- iedere week: dinsdag van 08:15 uur tot woensdagochtend, waarbij de man de kinderen naar de school/opvang brengt;
- in de oneven weken:
* donderdag na school tot 17:00 uur, waarbij [minderjarige 3] - zolang hij nog niet naar school gaat - op die dag van 08:15 uur tot 17:00 uur bij de man verblijft, waarna de vrouw de kinderen komt ophalen bij de man;
* vrijdag uit school/opvang tot maandagochtend, waarbij de man de kinderen naar de school/opvang brengt;
- in de even weken: donderdag van 08:15 uur tot vrijdagochtend, waarbij de man de kinderen naar de school/opvang brengt;
bepaalt voorts, uitvoerbaar bij voorraad, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de hiervoor onder 5.2 genoemde minderjarige kinderen:
in de zomervakantie van 2026: de eerste twee weken bij de vrouw verblijven, daarna twee weken bij de man verblijven, in de vijfde week bij de vrouw verblijven en in de zesde week bij de man;
in de zomervakanties vanaf 2027: in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man verblijven en de laatste drie weken bij de vrouw; in de even jaren andersom;
in schoolvakanties met een duur van twee weken: in de even jaren de eerste week bij de vrouw verblijven en in de tweede week bij de man; in de oneven jaren andersom;
in andere schoolvakanties: bij de ouder verblijven overeenkomstig de hiervoor onder 5.3 bepaalde standaardregeling;
waarbij ieder kind in de gelegenheid moet worden gesteld om video- of belmomenten te hebben met de ouder waarbij het op dat moment niet verblijft;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 14 maart 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de hiervoor onder 5.2 genoemde minderjarige kinderen aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van
€ 295,= (tweehonderdvijfennegentig euro) per maand per kind;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Wit, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.